Elias Canetti superieur bewerkt en gespeeld

Trouw, 12 november 2004 door Hanny Alkema

Een vlijmscherpe bewerking van een meesterlijke roman noemt toneelgezelschap ’t Barre Land zijn drieluik Hoofd zonder wereld naar Het Martyrium (Die Blendung, 1935) van Elias Canetti (1905-1994), en daar is nou ’s geen woord van overdreven.
Pal voor de neus van het publiek een kleine verhoging, waarop twee versleten leren kuipjes tegen een achterwandje van schroothout. Daar speelt zich de hele, een kleine vier uur (inclusief pauzes) durende voorstelling af. Nu en dan komen wat nevenfiguren opdraven, verder is er ogenschijnlijk weinig beweging. Het is spel op de vierkante millimeter in zo’n razend tempo en met zo’n scherp op elkaar reagerende timing, dat het je de adem beneemt.
Adembenemend is de roman zelf al, waarin Canetti opkomst en achtergrond van het fascisme heeft verwerkt in de wederwaardigheden omtrent wereldvreemde boekenwurm en befaamd sinoloog professor Kien.
Het eerste deel (‘Ein Kopf ohne Welt’) gaat over de confrontatie tussen Kien en de door hem getrouwde huishoudster Therèse, die op zijn vermogen uit is. In het tweede deel (‘Koplose Welt’) is hij het huis uitgezet en wordt hij door louche figuren als de bultenaar Fischerle uitgekleed, en in het derde deel (‘Welt im Kopf’) neemt, eenzaam opgesloten door huisbewaarder Pfaff, de waanzin langzaam bezit van hem.
In schrijfstijl en taalgebruik, met name in hoe hij de personages tekent, is op te maken dat Canetti zich met veel plezier heeft laten beïnvloeden door uit de DaDa voortgekomen kunstenaars als schilder/karikaturist George Grosz. Datzelfde vleugje DaDa is te herkennen in de voorstelling(-en) van ’t Barre Land. Er wordt geen tijd verspeeld met overbodige handelingen. Als iemand binnen wil komen, zegt hij gewoon ‘dingdong’.
Blindheid, domheid, het puur op eigen gewin uit zijn, explosieve gevoelens van afkeer, kritiekloze gezagsgetrouwheid, alles wat mensen tot een gevaarlijke massa kan maken, krijgt aldus haast ongemerkt vorm in vondsten die verhaallijn en thema, werkelijkheid en fictie even speels als doordacht mengen. En, lieve hemel, wat wordt er dan nog prachtig toneelgespeeld. En met zoveel gevoel voor humor. En speelplezier.
Jacob Derwig sleept je met superieur gemak door de scherpzinnige kronkelredeneringen heen, die bij de een filosofische kwaliteiten suggereren (Kien zelf) en bij de ander boerenslimheid (Therèse, Fischerle). Hij is komisch én tragisch, en in de laatste fase zelfs deerniswekkend. Geestig en al even behendig is Vincent van den Berg in zijn driedubbele rol van leergierige jongeman, souffleur en Fischerle. En Margijn Bosch als Therèse heb ik nog nooit zo goed gezien, zo intelligent schakelend van handige dombo tot inhalige heks. Met het met vaart en verve ondersteunende spel van de rest is Hoofd zonder wereld een juweel.