Geschiedenis

Waar ooit ‘t bloed rijkelijk vloeide
In 1996 was ’t Barre Land op zoek naar een locatie waar we voorstellingen konden maken en tonen. We stuitten op het voormalige Sectiegebouw van het Veterinair Pathologisch Instituut. Dit Instituut, aan de Biltstraat te Utrecht, was vanaf 1980 als Universiteitsmuseum in gebruik. Het Sectiegebouw, half verscholen achter het ‘moedergebouw’, was door het museum als opslag en werkplaats geconfisceerd. Op het moment dat wij de Gemeente Utrecht benaderden met de vraag of we het Sectiegebouw voor onbepaalde tijd konden huren, verhuisde het Universiteitsmuseum juist naar een nieuwe locatie in de stad. De Gemeente kocht zowel het Instituut als het Sectiegebouw. Wij konden een aantal maanden in de monumentale ruimte voor onze eerste The Waste Land in 1996. De twee zalen, de Sectiezaal en de Demonstratiezaal, werden door ons gebruikt als repetitie- en voorstellingsruimte.
Dit was het gebouw waarnaar we al jaren zochten; waarin alle eigenschappen van de oorspronkelijke functie nog zichtbaar waren. Twee grote ruimtes en een brede hal met een granieten vloer met metalen roosters die een tiental putten, een ingenieus afvoersysteem verbergend. Het bloed dat met het opensnijden van de dode dieren vrijkwam, werd in deze putten opgevangen. Honderden anatomisch witte tegels aan de bovenkant afgezet met een subtiele rand ‘Jugenstil’ bedekten een groot deel van de wanden.
De Demonstratiezaal wordt via een enorm dakraam belicht – in de tijd dat hier studenten rondliepen, was dit de collegezaal waar op een strategische plek de professoren het inwendige van diverse dieren toonden. In de Sectiezaal waren het de studenten zelf die met vlijmscherpe messen dieren ontleedden op spekstenen tafels. De dode dieren werden binnengebracht via een zware metalen rail met vleeshaken die vanaf de achterdeur van het gebouw naar beide zalen loopt.

En waar nu woorden worden ontleed

Twee maanden na de eerste The Waste Land kregen we te horen dat we het pand moesten verlaten. Het plan was om er het Annie M.G. Schmidt-Huis te realiseren. Ruim twee jaar heeft de Stichting Annie M.G. Schmidt de panden uiteindelijk in handen gehad. Daarna zag de stichting zich genoodzaakt de panden door te verkopen; er was niet voldoende geld om het Schmidt-Huis te exploiteren. ’t Barre Land mocht weer in het Sectiegebouw, dat we hadden omgedoopt tot De Snijzaal. Intussen had zich een aantal projectontwikkelaars gemeld. Na enkele maanden van onderhandelingen heeft de Gemeente Utrecht in het voorjaar van 1999 beide panden teruggekocht en nu verhuurt zij aan ons het Sectiegebouw. In het voormalig Pathologisch Instituut is vanaf september 1999 Jeugdtheaterwerkplaats De Berenkuil gevestigd. In dit pand bevindt zich op de bovenste verdieping tevens ons kantoor.

Geschiedenis van het zwakke dierenrijk
De Snijzaal is gelegen op een terrein dat tot halverwege 1988 aan de Universiteit Utrecht toebehoorde. Het was een voor de buitenwereld afgeschermd gebied aan de oostkant van Utrecht waar de Faculteit der Diergeneeskunde haar studenten opleidde. Op het terrein was tot 1818 een katoendrukkerij gevestigd. De Universiteit liet op dit gebied haar oog vallen vanwege de aanwezigheid van stromend water, veel weiland en de centrale ligging. De bestaande bebouwing liet men ‘onaangetast’. Er is alleen bijgebouwd in de loop der jaren: eerste bouwgolf rond 1870 en een tweede rond 1910. Wat betreft deze nieuwbouw kan worden gezegd dat er een ‘architectonische supervisie’ uitspreekt. Dat wil niet zeggen dat er één architect verantwoordelijk is geweest. Zowel Crouwel (die ook het postkantoor op het Neude heeft ontworpen) als rijksbouwmeester Peters hebben een aantal gebouwen op hun naam staan.
De katoenfabriek werd omgebouwd tot schoolgebouw met daarin o.a. een internaat voor 30 leerlingen. In de loop van de 19de eeuw werd het Veeartsenijterrein qua oppervlakte en gebouwen uitgebreid met kliniekzalen (1875), honden- en koeienstallen en het onderwijsgebouw (1877) waarin diverse laboratoria gevestigd waren. In de vorige eeuw kwamen hierbij de manege (1906) waarin De Paardenkathedraal is gehuisvest, de paardenstallen (1906), het Pathologisch Instituut (1906) en het Sectiegebouw (1911), de hoefsmederij (1917), het monumentale anatomiegebouw aan de Bekkerstraat (1921) en de kliniek voor kleine huisdieren aan de Numankade (1923).

Vanaf 1868 werden de gebouwen en het terrein voorzien van gaslicht. In 1906 ging men van gaslicht op elektrisch licht over. In 1885 werd het terrein aangesloten op de Utrechtse Waterleiding. De modernisering van de Veeartsenijschool werd voltooid in 1903 door aansluiting op het telefoonnet.
Reeds vanaf 1950 werd er in het kader van een vernieuwingsplan van de Universiteit Utrecht gesproken over de verhuizing van de Faculteit Diergeneeskunde naar de Uithof (Universiteitscomplex tussen Utrecht en De Bilt). De behuizing van de vakgroepen aan de Biltstraat werd te krap, er was gebrek aan weidegrond en de buurtbewoners kwamen met klachten over lawaai en stank. Minister Cals noemde na een bezoek in 1956 de toestand “bij de beesten af”. In 1964 werd met de nieuwbouw van de Uithof begonnen. De klinieken verhuisden in de periode 1967-1970. Het practicum-gebouw aldaar werd in 1972 in gebruik genomen. De resterende vakgroepen zouden spoedig volgen. De economisch vette jaren waren echter voorbij en een bouwstop werd afgekondigd. Pas in 1980 vond de verhuizing plaats van de overgebleven vakgroepen, de bibliotheek en bureau van de Faculteit. In 1988 neemt de Faculteit Diergeneeskunde definitief afscheid van het terrein dat 167 jaar in haar bezit is geweest.

Bovenstaand verhaal over de geschiedenis van dit deel van de stad Utrecht is ontleend aan een boekje dat ter gelegenheid van ‘Het afscheid van het Biltstraat-terrein’ verscheen. Op 17 juni 1988 werd dit afscheid gevierd met een gevarieerd programma, waaronder rookworstpaalklimmen, het gewicht schatten van een stier en een koe, een wedstrijd melken en het optreden van een veterinair cabaretgezelschap.

Woonbaar verklaard!
De geschiedenis van het veeartsenijterrein wekt de indruk dat een groot deel van de door de Universiteit geplaatste gebouwen bewaard is gebleven. Niets is minder waar: een belangrijk deel is gesloopt, waaronder prachtige houten (nood)gebouwen, kleine bijgebouwen, kliniek- en stalgebouwen van Chirurgie, een hondenstal en een hooiberg. Deze hebben ten behoeve van nieuwbouw en een park het veld moeten ruimen.
De reden om voornoemde gebouwen te slopen ligt waarschijnlijk in het feit dat de praktische haalbaarheid om er woningen van te maken klein werd geacht. Er werd nauwelijks gekeken naar de architectonische waarde. Een hooiberg middenin een woonwijk. Stel je voor! Spijtig genoeg is er te weinig gekeken naar het terrein als monumentaal geheel. De gebouwen die voor sloop zijn behoed, werden – op een aantal uitzonderingen na, zoals De Snijzaal – grondig verbouwd. Plannenmakers en architecten hebben zich voornamelijk gericht op het ‘woonbaar verklaren’ van de aanwezige panden. De verdwenen gebouwen zullen zeker op hun bouwkundige staat zijn beoordeeld en daarom zijn afgekeurd, maar de procedure die is gevolgd, zal moeilijk te achterhalen zijn. Waarom een gebouw wel of niet mocht blijven staan, blijft vooralsnog duister. Zeker is dat voor De Snijzaal een positief oordeel heeft gegolden.

De werking van licht
Nadat wij de Snijzaal wederom toegewezen kregen, was de Gemeente Utrecht bereid een financiële injectie te geven voor een grote opknapbeurt. Na maandenlang over en weer plannen te hebben opgeworpen, is er gekozen voor een relatief eenvoudig restauratieplan. De terugkeer van de monumentale raampartijen in beide zalen én het herstel van de meest beschadigde delen van de tegelwanden kregen de hoogste prioriteit. Voorts werden de elektrische installatie en de leidingen vernieuwd en kregen de plafonds, muren en deuren hun oorspronkelijke kleur terug.
Zoals bij elke restauratie werden wij geconfronteerd met de volgende vragen: wat is oorspronkelijk? Is het grijs van de deuren hetzelfde grijs dat in 1910 werd gebruikt? En willen we dat de Snijzaal er na de restauratie uitziet als ware hij net opgeleverd? Hoever gaan we in ons idee dat het karakter van het gebouw behouden moet blijven?
Wij hebben uiteindelijk besloten om de ramen zo te laten restaureren dat ze in grote lijnen overeenkomen met de ramen op oude foto's. De paar zwart-wit foto's die in ons bezit zijn, geven in grove lijnen een beeld van hoe het er ruim negentig jaar geleden uitzag. Deze zwart-wit foto's verschaften geen inzicht in de intensiteit van de grijstinten op deuren, plinten en dergelijke. We hebben ons laten leiden door de laatst aangebrachte laag. De bescheiden ogende kleuren in de Snijzaal pasten in ons beeld van een 'monument' waarin gewerkt kon worden en dat als decorum, of liever gezegd als omgeving (van onze voorstellingen) volledig uit de verf zou komen. In 2003 werd de verbouwde Snijzaal heropend met een feestelijke Weestfeek waarin o.a. De bruiloft van Tsjechov werd getoond en gasten langskwamen. Sindsdien speelt 't Barre Land er regelmatig.

De verbouwing kwam mede tot stand dankzij steun van het Bouwfonds Cultuurfonds, K.F. Hein Fonds en Gemeente Utrecht.