groene velden. blauwe pruimebomen.

scene acht. groene velden. blauwe pruimebomen.

baal (langzaam door de velden)
sinds de hemel groener is en zwanger, julilucht, wind, geen hemd in je broek! (terug naar ekart) mijn blote dijen schuren. mijn schedel is opgeblazen door de wind, in het haar van mijn oksels hangt de geur van de velden. de lucht trilt alsof ze dronken is van brandewijn.

ekart (achter hem)
waarom loop je als een olifant van de pruimebomen weg?

baal
leg je poot op mijn schedel! hij zwelt met elke polsslag en zakt dan weer in elkaar als een blaas. voel je dat niet met je hand?

ekart
nee.

baal
jij begrijpt niets van mijn ziel.

ekart
laten we in het water gaan liggen.

baal
mijn ziel, broeder, is het kreunen van de korenvelden, als zij zich onder de wind buigen, en het fonkelen in de ogen van twee insecten die elkaar willen opvreten.

ekart
een julidwaze jongen met onsterfelijke ingewanden, dat ben jij. een klomp, die aan de hemel nog eens vetvlekken achterlaat!

baal
op papier is dat heel mooi. maar het doet niets.

ekart
mijn lijf is licht als een kleine pruim in de wind.

baal
dat komt door de bleke zomerhemel, broeder. zullen wij ons door het lauwe water van een plas laten opzwellen? de witte landwegen trekken ons anders als engelentouwen de hemel in.

Meer over: