Lekker fris

Peter Swanborn besprak voor De Volkskrant de Dietsche Warande & Belfort gewijdt aanvertaling van Bindervoet & Henkes en het debat over de aantrekkingsktracht van Hamlet.

'NOU, DE VERTALING van Komrij vonden wij anders verreweg de allerbeste' zegt Rosencrantz, waarop zijn vriend Guildenstern antwoordt: 'Ik zou zelfs willen zeggen: die van Komrij is tot nu toe verreweg de allerbeste.' Maar helaas denkt Hamlet er anders over: 'Heb je wel eens geprobeerd hem uit te spreken? Ik kon hem niet uit mijn strot krijgen.'

Aldus Erik Bindervoet en Robbert-Jan Henkes. Zij maakten voor toneelgroep 't Barre Land een nieuwe vertaling van Shakespeares Hamlet, een voorstelling die vorige week in Brussel in première is gegaan. Het Vlaamse tijdschrift Dietsche Warande & Belfort stelde voor deze gelegenheid een speciaal Hamlet-nummer samen waarvoor Bindervoet en Henkes een uitermate komische, Shakespeariaanse samenspraak schreven.

Bindervoet en Henkes laten hierin verschillende personages als vermoeide acteurs zeuren en klagen. Hamlet blijkt het na al die eeuwen goed zat te zijn. Hij is veranderd van een zwijgende twijfelaar in een scherp gebekte dwarsligger. Als Polonius zegt: 'Elke tijd haar eigen Shakespeare. Zo blijft hij lekker vers', antwoordt Hamlet sarcastisch: 'Ik hou van lekker anders. Ik hou van lekker fris. En in Engeland ligt een rottend kreng waar de zon maden in zoent.'

De opmerking van Polonius vormt het thema waar ieder artikel in dit Hamlet-nummer op terugkomt: is Shakespeare nog wel van deze tijd? Om de knuppel in het hoenderhok te gooien kozen de samenstellers, waaronder Hamlet-regisseur Jan Ritsema, voor een tekst die Wim Noteboom in 1977 voor De Groene Amsterdammer schreef. Naar aanleiding van een in zijn ogen mislukte Hamlet van het Publiekstheater schreef Noteboom dat de 'mislukking niet alleen ligt in de richting van de actualisering - Hamlet in een fascistisch milieu -, maar in de idee van het actualiseren zelf.'

Deze polemische tekst is in Dietsche Warande integraal opgenomen samen met vier reacties waarvan vooral die van Dieter Lesage opvalt. Lesage stelt dat de aantrekkingskracht van Hamlet gevormd wordt door het feit dat de tijd van Shakespeare en daarmee ook zijn taal juist zo ver van ons af staan: 'Het beste argument voor een belangstelling voor Hamlet is een interesse voor het oneigentijdse, voor het inactuele, voor het particuliere, en dus niet voor het vermeend eigentijdse, actuele en universele karakter van dit stuk.'

Bart Verschaffel denkt er anders over, al laat hij zich in zijn analyse van de rol van Hamlet niet echt uit over de vraag of het stuk op een historische of een moderne wijze gespeeld moet worden. Verschaffel legt de nadruk op het feit dat Hamlet zelf in zijn eigen tijd ook al misplaatst was: 'een figuur die gevangen zit in een wereld die zijn wereld niet meer is.' En juist die vervreemding is dan 'de treffende uitbeelding van het moderne zelfbesef waarin de modernen zich kunnen herkennen.'

Deze Dietsche Warande lijkt zich vooral op theatermakers te richten of op de meer studieuze theaterbezoekers die ook wel eens achter de theoretische coulissen willen kijken. In die zin is het zeker de moeite van het lezen waard, maar vreemd is wel dat een schrijver als Tom Lanoye niet aan het woord komt. Met zijn Ten oorlog heeft hij zich toch als een groot deskundige op het gebied van de modernisering van Shakespeare bewezen.

Naast het themagedeelte biedt Dietsche Warande ook een voorpublicatie uit A. F. Th.'s Moeilijke voeten, het eerste deel van de zevendelige cyclus Homo duplex. De moeilijke voetjes van de hoofdpersoon blijken het gevolg van een botsing tussen zijn zwangere moeder en een spookrijdende hulpbisschop: 'Ooit de geur van wierook rond een autowrak opgesnoven?'