Lieve en vereerde heer,

Het spijt me dat ik in Abbazia uw afzeggingsbriefje vond, niet uzelf. Op mijn reis door Dalmatië was het meestal slecht weer; alleen in Ragusa twee zonnige dagen; bovendien belandde ik aan het begin van de reis in een balneologencongres, de hotels en de boten zaten met de deelnemers volgepropt; veel van hen kende ik ook persoonlijk, het was nogal onaangenaam. Onder half-bekenden zijn, is de ergste vorm van eenzaamheid, niet van gezelligheid. Vanuit Abbazia, waar het ononderbroken regende, vluchtte ik snel naar huis. Het mooiste wat ik meebracht is de herinnering aan de resten van Salona, ik kan helemaal niet begrijpen waarom men daar niet verder en verder graaft; de aarde wegkrabben en het verleden vinden – hoe komt het dat nog niemand daar waanzinnig van is geworden? –

Ik heb ook die idiote aanvallen tegen u gelezen, vanwege uw inleiding in Boedapest. Daar valt toch werkelijk niet serieus over te praten. En toch lijkt het of men de overgevoeligheid voor domheid, als het eenmaal gedrukt staat, moeilijk kwijt raakt. Ik herinner me hoe ik destijds met enige verbazing in de briefwisseling van Goethe en Schiller monumenten van ergernis aantrof over de onbeduidendste scribenten. Maar sindsdien verbaas ik me niet meer als ik zie hoe de slimsten zich soms ergeren aan de idiootsten. Filosofie helpt tegen doodsangst, maar niet tegen vlooienbeten.

Dat u ook mij voor Wenen bedankt, is vriendelijk; ik voel dat ik, vooral deze keer, weinig voor u heb kunnen betekenen. In het begin was er die vervelende geschiedenis met die tand; en dan rust de schaduw van zo'n treurige gebeurtenis vaak, en al helemaal tijdens deze lentedagen, zwaar op mijn ziel. Daarbij spelen nog allerlei gedeeltelijk zenuwachtig makende dingen (maar alleen gedeeltelijk), waar ik niet graag over spreek, hoofdzakelijk een kwellend oorsuizen, waar ik nu al drie jaar ononderbroken aan lijdt, met verslechtering van het gehoor tot gevolg - dat maakt me natuurlijk ook niet veel vrolijker. In elk geval werk ik sinds kort meer dan ooit en met een gevoel - af en toe tenminste - van innerlijke rijkdom, als nooit tevoren. Ik sta op het punt een novelle te dicteren die al een paar weken af is, en wil in de zomer een komedie schrijven. (..) Maar waar het met de nieuwe stukken naar toe moet, die ik in mijn hoofd heb, weet ik niet goed. Het zal de komende tijd bijna niet mogelijk zijn iets Weens te schrijven waarin niet het antisemitische vraagstuk meespeelt – en mijn manier van denken zal noch de christenen noch de joden bevallen. - Het nieuwe boek van Bourget ken ik niet, heb allang niets van hem gelezen. Ik lees nu - stel je voor! voor het eerst de Don Quichot. (..)

Sinds het mooi weer is, fiets ik ook vaak en deze zomer ben ik van plan grote fietstochten te maken. Misschien heeft u een keertje zin, als het heel warm wordt, om de bergen in te gaan. Ik verheug me er al op eens met u buiten te zijn, buiten de stad te wandelen. Misschien valt het zelfs te organiseren, dat u, Goldmann en Beer-Hofmann en ik elkaar ergens ontmoeten, ver weg van alle kranten - en uiteindelijk van alle 'literatuur.' - In ieder geval hoop ik binnenkort weer een woord van u te horen, hoe het met u gaat. Ik ben echt blij dat u met sympathie aan mij denkt. Ik groet u hartelijk.

 

uw Arthur Schnitzler, Wenen, 3. 5. 900