lt.gustl-mej.else van Arthur Schnitzler

De lente komt gauw- over een paar dagen is het zover. Lelietjes van Dalen, viooltjes - jammer dat ik er niet meer van zal genieten. (Luitenant Gustl, 1900)

Geheimzinnige zelfmoord van een jongedame uit de Weense kringen. Slechts gekleed in een zwarte avondmantel werd het mooie meisje dood aangetroffen op een ontoegankelijke plek op de Cimone delle Pala... Maar misschien vinden ze me niet... Of pas volgend jaar. Of nog later. Vergaan. Als skelet..
(Juffrouw Else, 1924)

Gustl, Weens officier, denkt zich van het leven te moeten beroven na een belediging door een banketbakker in de garderobe van de opera. Juffrouw Else, op vakantie in de bergen, moet zichzelf verkopen om haar vader te behoeden voor een financiële ondergang.
Ongecensureerde gedachten, erotische associaties en theatrale doodswensen van twee jonge mensen in een overspannen toestand.

Vincent van den Berg (Lt. Gustl) en Margijn Bosch (Mej. Else) spelen hun monologue intérieures.
Als eerste Duitstalige auteur schrijft Arthur Schnitzler zogenaamde 'monoloog novelles' waarin hij consequent de subjectieve en ongecontroleerde gedachten van zijn personages volgt. Als 'grote' navolgers moeten in dit verband Berlin Alexanderplatz (1929) van Alfred Döblin èn Huwelijksleven(1929-1939) van David Vogel worden genoemd.

In 1900 publiceert Schnitzler - zelf reserveofficier - Luitenant Gustl, een dodelijke satire op het militaire denken en de erecodes van de Weense burgerij. Vierentwintig jaar, en een wereldoorlog later, presenteert hij met Fräulein Else een vrouwelijke variant. De tekst wordt onmiddellijk geroemd om het fijnzinnige psychologische inzicht, maar er worden voorzichtig kanttekeningen geplaatst bij de inhoud. Is de mens na de Grote Oorlog niet veranderd? Schnitzler schrijft als reactie "dat zich in het denken van afzonderlijke mensen nog niet de kleinste verandering had voltrokken”.

van/door/met: Margijn Bosch, Vincent van den Berg en ‘t Barre Land