Educatie-artikel: Over De president van Thomas Bernhard

Wenen kent een rijke toneeltraditie op het gebied van de satire, van werken waarin met een scherpe pen het onvermogen van de mens aan de kaak gesteld wordt. Een lijn van ongeveer 150 jaar loopt van Johann Nestroy, via Karl Kraus en Elias Canetti naar Thomas Bernhard (1931-1989). Van Bernhard speelt ’t Barre Land nu De president (1975). Het is de eerste keer dat we zijn werk spelen, we denken en spreken er al veel langer over. Al een tijd putten we uit het werk van de grote Oostenrijkse toneelschrijvers.

Johann Nestroy (1801-1862) was een zeer populaire toneelspeler in de negentiende eeuw die per seizoen drie toneelteksten schreef en op latere leeftijd ook nog theaterdirecteur werd, van het theater waarvoor hij de stukken schreef, waarin hij zelf de hoofdrol vertolkte. Hij bewerkte -en verbeterde- voornamelijk Franse stukken die toentertijd in Wenen te zien waren. Nestroy verlegt de nadruk en de humor van de anekdote (het verhaal) naar de taal zelf. Zijn personages worden getypeerd door hun dialecten. De intelligentie van de schrijver Nestroy en van zijn figuren blijkt uit hun taalgebruik. Hij is een meester in het uitvinden van nieuwe woorden door vreemde samenvoegingen. Ook munt hij uit in nonsens-monologen en in zinnen met een dubbele betekenis - binnen het verhaal en over het leven in het algemeen.

In bijna al zijn stukken worden de bestaande verhoudingen omgekeerd en wordt zo de willekeur van hiërarchische systemen aan de kaak gesteld. In De Talisman klimt een roodharige sloeber op tot secretaris van een gravin dankzij een zwarte pruik - en verliest zijn positie weer net zo snel als blijkt dat hij roodharig is, om even later zijn fortuin te vergaren met behulp van een grijze pruik. In Verhoudingen van voorheen wordt de vroegere heer van een knecht, de knecht van diezelfde knecht die nu heer is en ten koste van alles wil geheimhouden dat hij vroeger knecht was. Karl Kraus (1874-1936) ging nog een stap verder dan Nestroy. Voor hem bestond alles uit taal, uit stemmen. Hij was van mening dat taal de directe afspiegeling was van het denken en van de houding van mensen, van hun mentaliteit: Verloedering van de taal wees op een verloedering van de mentaliteit. Via de taal richtte hij zijn spot op de domheid tot uitdrukking kwam in uitspraken en geschriften van zijn tijdgenoten. In 1899 begon hij een eigen tijdschrift De fakkel dat hij grotendeels zelf volschreef, dit hield hij vol tot aan zijn dood (37 jaar!). In De fakkel hekelde hij jaar in jaar uit alles en iedereen, maar voornamelijk Weense politici, collega-literatoren en de pers. In het bijzonder ging hij tekeer tegen het genre van de feuilletons, waarin schrijvers de gegevens opfleurden met fantastische beeldbeschrijvingen en de emotionele toon belangrijker was dan de onderwerpen.

De enige keer dat Kraus een paar maanden achter elkaar stil is geweest, is bij het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog. Na een half jaar is hij gaan schrijven aan het grootste toneelstuk ter wereld De laatste dagen der Mensheid, een stuk van zevenhonderd pagina's, honderden figuren, of beter gezegd 'stemmen', dat per bedrijf een jaar van de oorlog beslaat (met een marionettenspel als proloog en een apocalyptische epiloog op rijm). En zonder een andere ontwikkeling dan de groeiende berg lijken en de toenemende gruwel. Net als Nestroy gebruikt Kraus vooral de taal om zijn dodelijke satire vorm te geven. Met een enorme hoeveelheid dialecten, samenvoegingen (zoals een 'protest-uee' ipv prostituee) en literaire of journalistieke parodieën. In een scène laat hij een Duitser en een Oostenrijker discussiëren over de term 'opperbommenwerper', in een andere laat hij een groepje jongeren de straat zuiveren van buitenlands taalgebruik, waarna zij afscheid van elkaar nemen - met termen uit het Frans, Italiaans, Engels of Latijn.

Oostenrijk
Thomas Bernhard hoort in de Weense satirische traditie, die met veel zelfspot de huichelachtigheid en domheid van voornamelijk Oostenrijk en haar inwoners aanvalt (hoewel het bijzondere bij Bernhard is dat ernst en ironie niet van elkaar te onderscheiden zijn). Zeer belangrijk voor het begrijpen van zijn werk is de Oostenrijkse omgang met het nazi-verleden, of beter gezegd de ontkenning van het nazi-verleden. Cruciaal in de geschiedenis is dat Oostenrijk in 1945 door de geallieerden 'bevrijd' is van de 'bezetting' van Nazi-Duitsland (terwijl de Oostenrijkers Hitler in 1938 met veel gejuich ontvangen hebben in zijn geboorteland en in 1934 zelfs een antifascistische staatskanselier, Dolfuss, vermoord is om de Anschluss met Duitsland voor te bereiden).

De geallieerden probeerden met Oostenrijk een bufferzone te creëren tegen het zich steeds verder uitbreidende communisme. De status van 'bevrijd' land gaf de Oostenrijkers de mogelijkheid om hun eigen fouten te negeren en de schuld af te wentelen op die verdorven Duitsers. Binnen drie jaar zaten alle vooraanstaande (ex?-)nazi's weer op hun oude posities, ook op de ministeries, en het heeft tot 1988 geduurd, tot de media-rel rond de verkiezing van Waldheim, voordat het nazi-verleden een openbaar discussiepunt werd.

In een serie korte toneelstukken, Dramoletten, heeft Berhard dit verleden expliciet behandeld. In de dramolette 'Peyman koopt een broek' eet de Duitse regisseur Claus Peyman (die vele stukken van Bernhard als eerste heeft opgevoerd) met een Weense schrijver in een restaurant. Peyman is net van Duitsland naar Wenen gekomen als de nieuwe artistiek leider van het beroemde Burgtheater en wordt door de schrijver wegwijs gemaakt. De schrijver beschrijft iedereen in het restaurant, bekende figuren uit de politiek of het openbare leven. Allemaal blijken het nazi's te zijn - of katholieken. In 'Het Duitse middageten' klaagt de vader van de familie Bernhard, dat hij alleen nog maar nazi's in zijn soep vindt, elke dag weer nazi's in plaats van noedels in zijn soep. De moeder verdedigt zich met het argument dat er niks anders meer te krijgen is. Uit ieder pak soep dat zij opentrekt, springen weer nazi's tevoorschijn, alleen nazi's, geen noedels.

Ook in zijn toneelstuk De president, geschreven in Wenen in 1975, sluimert het nazi-verleden onder de tekst. Het stuk is opgebouwd uit twee delen. Het eerste deel speelt in de slaapkamer van de president en zijn vrouw in het presidentiële paleis, waar beiden zich opmaken om naar een begrafenis te gaan. Bij een aanslag op de president door anarchisten is hij er met een schampschot vanaf gekomen, maar zijn rechterhand, de overste, is gedood. Ook de hond van de presidentsvrouw heeft bij de aanslag van schrik het loodje gelegd. In het eerste deel is voornamelijk de presidentsvrouw aan het woord, terwijl zij aangekleed wordt door haar hulp, mevrouw Frölich. De president zit in bad en wordt gemasseerd door een masseur. Het tweede deel speelt in Estoril, een Portugese badplaats, waar de president na de aanslag naartoe is gegaan om bij te komen van de shock met zijn minnares, een derderangs toneelspeelster, die in het casino van het hotel al zijn geld verspeelt.

Hoewel er geen expliciete verwijzingen naar het nazisme zijn, wordt er door Bernhard veel gesuggereerd. In de biografische gegevens van het personage de president zijn historische feiten uit de biografie van Hitler verwerkt; hij refereert aan de moordaanslag op staatskanselier Dolfuss bij de putsch in 1934; bij de negentien voorafgaande (gelukte) aanslagen waren grootindustriëlen en kabinetsleden het slachtoffer, vermoedelijk met een nazi-verleden. En de steeds terugkerende beschrijving van het gebaar, dat de president het leven redde (het opheffen van de wandelstok om de zwaluw aan te wijzen die op het monument voor de onbekende soldaat zit), lijkt verdacht veel op een Hitlergroet.

De grote onderwerpen
Ondanks de verwijzingen naar de Oostenrijkse geschiedenis omschreef Bernhard zichzelf terecht als een schrijver van wereldtoneel. Want hoewel het Oostenrijkse heden en verleden in veel stukken de aanleiding of het onderwerp vormt, komt de zeggingskracht in de stukken uit Bernhards genadeloze en humoristische blik op het mens-zijn.

Deze blik laat zich nog het best omschrijven in de woorden van één van zijn personages, de wereldverbeteraar: 'Het bestaan is niets dan afleiding van het bestaan.' Omdat de mens zijn grote mislukkingen in het bestaan niet wil of niet kan zien (de mens kan niet onder ogen zien dat hij eigenlijk geen plaats heeft op de wereld, een onrechtmatige tussenvorm, te dom om alles te weten en te slim om niets te weten), probeert de mens zoveel mogelijk manieren te verzinnen om niet naar zichzelf te hoeven kijken. Twee beroemde uitspraken, van de filosofen Pascal en Schopenhauer - die Bernhard als jongen van zijn opa te lezen kreeg- zijn ook verhelderend: 'Het ongeluk van de mens komt voort uit één oorzaak: niet rustig in een kamer te kunnen blijven' (Pascal) en 'Het bestaan is een voortdurend pendelen tussen pijn en verveling' (Schopenhauer).

Bernhard noemde deze filosofen de grote 'lachfilosofen', omdat zij met veel ironie de mens op de korrel namen en de lachwekkende zinloosheid aantoonden van ons eindeloze streven om het leven zin te geven. En wie kan er nou een filosoof serieus nemen die meer van zijn poedel houdt dan van mensen, zoals Schopenhauer? In De president staat ook een perverse hondenliefde centraal. De presidentsvrouw kan zich niet losmaken van haar hond, die bij de aanslag een hartverlamming heeft gekregen. Ze laat elke dag zijn mand opmaken, praat tegen de hond alsof die er nog is en haar grootste probleem is of ze de hond moet begraven of verbranden. Ze kwelt zichzelf met de overleden hond, die tegelijkertijd haar wapen is om anderen mee te kwellen. De hond heeft in het paleis geregeerd als een president (die de hond haatte) en haar bediende, mevrouw Frölich, moet voor de hond zorgen (terwijl ze die haatte), waarbij Frölich wordt behandeld als een hond.

Filosofie is één van de grote onderwerpen van Bernhard. De andere zijn politiek, geschiedenis en kunst, toneel in het bijzonder. Zijn personages spreken voortdurend over deze onderwerpen. Bewust en onbewust citerend uit talrijke bronnen en verwijzend naar vele gebeurtenissen en mensen, vormen zij steeds schijnbaar tegengestelde meningen. Met als resultaat de volledige opheffing van de betekenis van de begrippen en termen die gebruikt worden. Er is geen inzicht, zelfs het spreken over het leven is een afleiding. Leven is een schijnleven. Spreken is dwangmatig spreken. Zelfkennis is zelfbedrog.

De vier onderwerpen filosofie, geschiedenis, politiek en kunst, zijn met elkaar verknoopt in Bernhards toneelstukken. In De president wordt de huidige politieke toestand gezien als het directe resultaat van de geschiedenis. 'De geschiedenis bewijst alles/en wat bewijst de geschiedenis/ het volk moet van de geschiedenis afgeleid worden/ zodat ze geen bewijzen in handen krijgt.' Maar de zoon van de president bestudeert de geschiedenis. Hij studeert archeologie in Rome. Hij heeft wat verborgen was opgegraven, de skeletten, zo bewijzen in handen gekregen en zich bij de anarchisten aangesloten. De anarchisten ondermijnen de politieke orde van de president, je zou kunnen zeggen dat zij de schijnorde tonen die het in werkelijkheid is. En de president vernietigt uiteindelijk zichzelf door zijn eigen manier van denken. Orde en anarchie worden op deze manier inwisselbaar, omdat de anarchisten proberen de macht (orde) te grijpen, zoals de president probeert zichzelf kapot te maken (anarchie).

Bernhard heeft in het stuk een onverwachte omkering aangebracht: Hij laat de presidentsvrouw een monoloog houden die voornamelijk de buitenwereld analyseert: de sociale verhoudingen, de politiek, en dergelijke. De president houdt een monoloog over de binnenwereld, over de karaktertrekken en denkstappen die nodig zijn om jezelf uit je eigen moeras te trekken en iets te bereiken.
Daarbij worden de president en zijn vrouw ook historisch en filosofisch tegenover elkaar gezet. De president is een zeer grote fan van Metternich. Hij leest zijn werken en brengt zijn ideeën in de praktijk. Naast Hitler is ook Metternich een biografische bron geweest voor de figuur van de president. Metternich was een staatsman die de Oostenrijks-Hongaarse Dubbelmonarchie regeerde tussen 1815 en 1848, een periode die de Vormärz genoemd wordt. Met een streng bewind is het hem gelukt om een zeer lange periode vrede te bewaren in het grootste rijk dat ooit in Europa heeft bestaan. Zijn beleid stoelde op absolute gehoorzaamheid aan de monarch, de keizer, en de totale uitbanning van elke revolutionaire invloed. Universiteiten stonden onder toezicht, Rousseau en Voltaire mochten niet gelezen worden, er was een enorme censuur, brieven werden gecontroleerd en er is zelfs een geheime organisatie opgericht voor de strijd tegen de revolutie.
De grootste bedreiging voor Metternichs balans in Europa was Pruisen. Door de oprichting van de Bondsstaat, waarbij vele Duitse staten onder het voorzittersschap van Oostenrijk tot een confederatie werden gesmeed, wist hij dit risico te neutraliseren.

De president houdt van Metternich, maar de vrouw van de president is een grote fan van de kapelaan. De kapelaan komt dagelijks bij haar op bezoek om haar de grote Fransen voor te lezen en vooral Voltaire! Voltaire is één van de grote schrijvers van de verlichting en in alles het voorbeeld van wat Metternich verfoeide. Zijn hele leven heeft Voltaire gevochten voor godsdienstige tolerantie en maatschappelijke vrijheid. Tegen de bekrompenheid. Hij is vier keer uit Frankrijk verbannen en uiteindelijk zeer dicht bij de Frans-Zwitserse grens, in Freney, gaan wonen, zodat hij makkelijk de grens over kon bij problemen. Tijdens zijn tweede verbanning werd Voltaire uitgenodigd bij de Pruisische keizer Frederik de Grote om zijn literaire adviseur en leermeester te worden. (Tot ze ruzie kregen.) Op dezelfde manier zit ook de kapelaan aan de tafel bij de president en zijn vrouw. Als literaire adviseur en vooral als filosofische leermeester voor de presidentsvrouw. Het is natuurlijk een onmogelijkheid; een kapelaan, een geestelijke, die de ideeën van Voltaire verkondigt. Maar de kapelaan is dan ook een afvallige, bijna al uit de kerk gezet. Je zou in de kapelaan een incarnatie van de schrijver zelf kunnen zien. Dit suggereert Bernhard door biografische gegevens van zichzelf aan de kapelaan te geven en hem niet als personage op te voeren, maar zijn ideeën door de presidentsvrouw te laten verkondigen. De kapelaan is ook de regisseur in het stuk, de intrigant. Hij fluistert de presidentsvrouw allerlei verlichte ideeën in het oor en meningen over de anarchisten, over de staat en de kerk, waarmee hij de opstand in de slaapkamer van het presidentiële paleis binnenvoert. Hij is ook de regisseur van het jaarlijkse kerst-kindertoneelstuk waarin de presidentsvrouw de hoofdrol speelt, al twintig jaar. Op deze twee niveaus regisseert hij de vrouw - die voortdurend bang is dat ze haar tekst vergeet - en ensceneert de revolutie. 'Het is echt de laatste keer dat ik met deze kindervoorstelling meespeel,' roept zij uit op het hoogtepunt van radeloosheid.

In het tweede deel met de president wordt de vergelijking tussen theater en politiek veel verder doorgetrokken. De president vermaakt zich in Portugal met een derderangs toneelspeelster. Zij is door de directeur van het theater 'uitgerangeerd' omdat zij de directeur een blauwtje heeft laten lopen. De president is daar blij om, want nu kan zij bij hem de grootste rol spelen die er bestaat: de rol van presidentsvrouw.

Muziek
Thomas Bernhard heeft naast Theaterwetenschap ook Muziekwetenschap gestudeerd. Eén van zijn beste vrienden was een neef van de grote filosoof Ludwig Wittgenstein, Paul Wittgenstein, die op zijn beurt een groot musicoloog was. Bernhard beschrijft met veel liefde de onvoorstelbare kennis, het inzicht en de gedrevenheid van zijn vriend op het gebied van de klassieke muziek in De neef van Wittgenstein. (Een verslag van hun ontmoetingen in het sanatorium 'Steinhof' waar zij beiden regelmatig verbleven. Bernhard vanwege een longaandoening waar hij zijn hele leven aan geleden heeft en Wittgenstein vanwege geestelijke problemen.)

De klassieke muziek is misschien wel de grondslag voor Bernhards schrijven. Letterlijk zelfs, omdat hij stukken ook opbouwt volgens structuren die aan de muziek ontleend zijn. Zijn stukken lezen als partituren: de korte zinnen zonder interpunctie dwingen je in de zinnen in een bepaald ritme te lezen. Johann Sebastiaan Bach is veruit de meest genoemde componist door Bernhard. Die Art der Fuge van Bach is, zoals de titel aangeeft, een compositie van fuga's: In een fuga begint de eerste stem (instrument) meteen met het thema dat voor de compositie gekozen is. Als het thema is afgerond, valt een tweede stem in met datzelfde thema, maar op een andere toonhoogte, bijvoorbeeld een kwint hoger; de eerste stem gaat tegelijkertijd onder de tweede stem door met een zogeheten contrapunt, een variatie tegenover het thema. Als de tweede stem het thema heeft afgerond, begint een derde stem, enz. De hoeveelheid stemmen kan per fuga verschillen, maar het minimum is twee.

Bernhard maakt voor zijn toneelstukken veel gebruik van eenzelfde manier van componeren. Eerst legt hij het thema neer. Dan volgt een variatie op- , of een verheviging van dat thema. Vervolgens komt er een tegengestelde gedachte aan het thema - niet gelijktijdig in het spreken, maar wel in het denken. Dan weer een derde variatie, een terugkeer naar het thema en weer een variatie, een tegenstelling, enzovoort. Het grondthema van De president wordt door Bernhard in de eerste vier woorden neergelegd:
Eerzucht/haat/anders niets. Deze tekst wordt door de presidentsvrouw steeds herhaald en blijft na de voorstelling in je hoofd klinken.

Meer over: