Over Georges Perec

De onbestemde sfeer van onderstaand fragment weerspiegelt de desastreuze staat van het landschap van Perecs jeugd, met zijn herinneringen die in een vacuüm zweven als eilandjes in een archipel waartussen geen samenhang te ontdekken valt, en die meer op verlangens lijken dan op herinneringen:

"Van nu af aan bestaan de herinneringen, vluchtig of hardnekkig, onbeduidend of zwaarwichtig, maar ze worden door niets bijeengehouden. Ze lijken op dat niet-doorlopende handschrift, bestaande uit losse letters die niet in staat waren zich aaneen te hechten om een woord te vormen, dat tot mijn zeventiende of achttiende het mijne was, of op die versnipperde, verbrokkelde tekeningen waarvan de verspreide elementen er bijna nooit in slaagden met elkaar een geheel te vormen en ik in de tijd van W, laten we zeggen tussen mijn elfde en mijn vijftiende, hele schriften vulde: figuren die geen enkel contact hadden met de grond die geacht werd hen te dragen, schepen waarvan de zeilen niet aan de masten vastzaten en de masten niet in de romp, oorlogstuig, vernietigingsmachines, vliegmachine en voertuigen met onwaarschijnlijke mechanieken, met hun ontkoppelde straalpijpen, hun onderbroken kabels en in het niets ronddraaiende wielen; de vleugels van de vliegtuigen zaten los van de romp, de benen van de atleten waren gescheiden van hun onderlichaam en hun armen van hun bovenlijf, en de handen geen enkel houvast.

Wat kenmerkend is voor die periode is in de eerste plaats het ontbreken van bakens: de herinneringen zijn aan het niets ontrukte stukjes leven. Ze worden door niets vastgelegd. Niets verankert ze, niets fixeert ze. Ze worden door bijna niets bevestigd. Geen enkele chronologie, behalve die welke ik in de loop der tijd eigenmachtig heb geconstrueerd: tijd verstreek. Er waren jaargetijden. Je skiede of je hooide. Er was geen begin en geen einde. Er was geen verleden meer en heel lang was er ook geen toekomst meer; het duurde gewoon. Je bestond. Het speelde zich af op een plek die ver weg was, maar niemand had precies kunnen zeggen ver van wáár, misschien gewoon ver van Vilard-de-Lans. Van tijd tot tijd ging je ergens anders heen, naar een ander pension of naar een ander gezin. De dingen en de plaatsen hadden geen naam of hadden er een paar; de mensen hadden geen gezicht. De ene keer was het een tante en de volgende keer was het een andere tante. Of een grootmoeder. Op een dag ontmoette je je nicht en je was bijna vergeten dat je een nicht had. Daarna ontmoette je niemand meer; je wist niet of dat normaal of niet normaal was of dat het alleen voorlopig was. Misschien waren er periodes met tantes en periodes zonder tantes? je vroeg niets, je wist niet zo goed wat je had moeten vragen, je moet een beetje bang geweest zijn voor het antwoord dat je gekregen zou hebben, als je iets had dureven vragen. Je stelde geen vragen. Je wachtte tot het toeval de tantes terug zou brengen en zo niet díe tante, dan die andere tante, het kon je al met al weinig schelen of je wist welke van de twee tantes het was en het kon je niet eens wat schelen of er tantes waren of dat ze er niet waren. In feite was je altijd een beetje verbaasd dat er tantes waren, en nichten en een grootmoeder. Je kon heel goed zonder ze in het leven, je wist niet goed waar ze voor dienden en waarom ze belangrijker waren dan de andere mensen; je hield niet zo erg van de manier waarop ze om de haverklap opdoken en verdwenen.

Alles wat je weet is dat het erg lang geduurd heeft en toen is er op een dag en eind aan gekomen. Zelfs mijn tante en nichten zijn veel vergeten. Mijn tante herinnert zich dat ze naar de bergen keek; ze vroeg zich af waarom het boerderijtje dat ze aan de zoom van het woud zag niet dat van haar grootvader was: daar zou zij geboren zijn; ze zou er al haar kinderjaren gespeeld hebben. En ik had graag na het avondeten mijn moeder willen helpen met het afruimen van de keukentafel. Op de tafel zou een wasdoeken kleed met blauwe ruitjes gelegen hebben: boven de tafel zou een lamp gehangen hebben met een wit porseleinen of geëmailleerde metalen kap, bijna in de vorm van een schotel, en een katrollensysteem met een peervormig contragewicht. Daarna zou ik mijn schooltas zijn gaan pakken, ik zou mijn boek, mijn schriften en mijn houten pennekoker gehaald hebben, ik zou ze op tafel gelegd hebben en ik zou mijn huiswerk gemaakt hebben. Zo ging dat in mijn schoolboeken."

Georges Perec 'Periodes met tantes en periodes zonder tantes' (uit: 'W of de jeugdherinnering')

Meer over: