Educatie-artikel: Over Woyzeck

Hoe speel je een toneelstuk dat geen toneelstuk is?
Na een aantal weken vertalen en werken aan Woyzeck van Georg Büchner beseften we dat het toneelstuk Woyzeck uit 1837 niets anders is dan een verzameling scèneschetsen en kladblaadjes, zonder paginanummering, van een schrijver die stierf, ver voordat het stuk klaar was.

In Woyzeck steekt een soldaat, Woyzeck, zijn geliefde Marie dood met een mes. Ze zijn arm en hebben samen een kind 'zonder de zegen van de kerk, zoals de garnizoenspredikant zegt', d.w.z. dat ze niet getrouwd zijn. Woyzeck scheert de kapitein van zijn garnizoen om wat geld bij te verdienen en is om dezelfde reden een proefkonijn van de plaatselijke dokter: Een aantal maanden eet Woyzeck alleen erwten en zorgt voor urinemonsters voor de wetenschap. Marie pleegt overspel met de majoortamboer die voorop loopt bij de taptoe. Wanneer de kapitein en de dokter dit aan Woyzeck vertellen steekt hij haar dood bij het meer.
Op deze manier verteld, lijkt het een vrij logisch verhaaltje met een duidelijk plot van A naar Z over de onderdukking van de armen en een crime passionel uit jaloezie. Maar afgezien van de cryptische, poëtische manier waarop Georg Büchner dit verhaaltje opschreef, is het zeer de vraag wat er de bedoeling van was: welk verhaal wilde hij eigenlijk vertellen en in welke volgorde precies?
Woyzeck wordt wel gezien als het eerste moderne toneelstuk omdat uit fragmenten bestaat en geen klassieke, Aristotelische opbouw heeft (met een introductie, exposé, motorisch moment, climax enzovoort). Maar misschien was het stuk gewoon nog niet af, of ligt de definitieve versie die keurig in vier bedrijven is opgebouwd, ergens in een kluis of bureaula te wachten om ontdekt te worden.

Georg Büchner
Büchner leefde veel te kort, van 1813 tot 1837, oorspronkelijk in Duitsland en later als politiek vluchteling in Zwitserland en Frankrijk. Deze periode in West-Europa wordt de Vormärz genoemd, een politiek zeer conservatieve tijd na de onrust van de Franse revolutie en Napoleon. De rijke middenstanders wilden de macht grijpen, maar door allerlei wetten hield de adel dit tegen. Duitsland bestond uit een verzameling van hertogdommen en kleine koninkrijken, die allemaal ruzie hadden met elkaar. Zelden zullen in dat land de verschillen tussen arm en rijk, tussen onderdrukkers en onderdrukten zo groot geweest zijn. Een revolutie in maart 1848 die zich over Duitsland en Oostenrijk verspreidde, bracht een einde aan deze periode.
Büchner bemoeide zich actief met de politiek. Hij had geneeskunde gestudeerd en hield zich intensief bezig met de anatomie. Daarnaast was hij schrijver van toneelstukken, literaire kritieken, filosofische studies, o.a. naar Descartes en Spinoza en één politiek pamflet: De Hessische Landbode.
In dit pamflet roept hij de boeren uit Hessen-Darmstadt op om in opstand te komen tegen de machthebbers van die streek. Voorin staat een lijstje van tips voor het geval de opstandelingen gevonden zouden worden met dit pamflet:
1. Zij moeten dit papier zorgvuldig buiten hun huis bewaren.
2. Zij mogen het alleen aan betrouwbare vrienden meedelen.
3. Bij degenen die zij niet vertrouwen als zichzelf, mogen zij het alleen heimelijk neerleggen.
4. Wordt het blad toch gevonden bij iemand die het gelezen heeft, dan moet hij bekennen dat hij het net naar de districtsraad had willen brengen.
5. Wie het blad niet gelezen heeft, wanneer men het bij hem vindt, treft natuurlijk geen schuld.

verzameld werk
Zelf moest Büchner, als schrijver van het pamflet, ook vluchten. Tijdens zijn verbanning schreef hij drie toneelstukken (Dantons Dood, Leonce en Lena en Woyzeck) en één kort verhaal (Lenz) waardoor hij wereldberoemd werd.
Dantons Dood is het enige stuk dat tijdens zijn leven is uitgegeven. De rest is pas na zijn dood door zijn broer uitgebracht. Leonce en Lena lag als script klaar om uitgegeven te worden, van Woyzeck bestaan er alleen een aantal pagina's met scènes in een vrijwel onleesbaar handschrift. De eerste onderzoeker dacht dat er Wozzeck stond in plaats van Woyzeck, vandaar dat het stuk jarenlang zo heeft geheten en de beroemde opera van Alban Berg uit 1925 deze titel draagt.

Aan het handschrift is af te lezen dat Büchner waarschijnlijk in vier fases aan het stuk heeft gewerkt. De eerste fase (dat deelontwerp 1 wordt genoemd) bestaat uit 21 scènes, die vooral het verhaal van de moord volgen. De tweede fase (deelontwerp 2) bestaat uit 9 scènes die een extra laag toevoegen, namelijk de sociale omgeving. In deze versie treden ook voor het eerst de kapitein en de dokter op. De derde fase, die de hoofdversie wordt genoemd, is een vermenging van scènes uit de eerste en de tweede versie. Sommige scènes zijn letterlijk overgenomen, andere zijn bewerkt en weer andere zijn weggelaten. Deze hoofdversie houdt helaas halverwege op, na scène 17, nog voor de moord überhaupt heeft plaatsgevonden. Omdat scène 16 en 17 een soort afscheidscènes zijn van Woyzeck en Marie zou je kunnen denken dat Büchner van plan was hier te stoppen, maar er zijn nog twee scènes gevonden die in geen enkele versie voorkomen en waarvan de onderzoekers vermoeden dat ze ná de hoofdversie zijn geschreven. En dit zou erop kunnen duiden dat de hoofdversie helemaal geen hoofdversie is, maar een zoveelste versie, waarna er nog velen zouden volgen. Om het allemaal nog wat ingewikkelder te maken, is het ook zo dat de pagina's geen nummering hebben en dat niemand dus zeker weet in welke volgorde Büchner de scènes bedoeld heeft. Een grote puzzel, die de aanleiding is geweest voor vele studies en boeken over Woyzeck, maar ook voor intrigerende en vernieuwende voorstellingen.

toerekeningsvatbaar?
Meer dan enig ander toneelstuk daagt het onaffe Woyzeck theatermakersmakers uit om zelf een volgorde van scènes te maken en met die volgorde een duidelijke stelling over de wereld uit te dragen. Zo is Woyzeck gespeeld als een communistische aanklacht tegen het kapitalisme, als een aanklacht tegen de wetenschappelijke en technologische 'vooruitgang', als een verhaal over verraad en bedrog waarin Marie vermoord wordt, omdat Woyzeck het niet kan verkroppen dat de enige die hij nog vertrouwd vreemd gaat, of als een existentieel drama waarin de mens totaal vervreemd van zijn omgeving en van zichzelf zijn ondergang tegemoet gaat. En inderdaad zijn al deze interpretaties mogelijk met de scènes die Büchner geschreven heeft, afhankelijk van hoe ze geordend worden. De volgorde is alles!
Voor Dantons Dood gebruikte Büchner documentaire materiaal. Veel zinnen kwamen rechtstreeks uit verslagen van vergaderingen of van ooggetuigen van de Franse revolutie. Ook bij Woyzeck zijn er historische bronnen gevonden. Zo was er in 1835 een moordzaak tegen ene Johann Christian Woyzeck, een soldaat die zijn geliefde Johanna Christiana Woost met een mes om het leven heeft gebracht. De grote vraag bij de rechtzaak was of de moordenaar toerekeningsvatbaar kon worden geacht. Hij beweerde dat hij stemmen hoorde en visioenen had. Een dokter onderzocht hem en concludeerde dat hij toerekeningsvatbaar was omdat hij een mens was die eigen keuzes kon maken en zelf verantwoordelijk was voor zijn daden.
In dezelfde periode waren er twee andere, vergelijkbare gevallen, de ene moordenaar heette Diess en de andere Schmolling. De drie gevallen vertoonden overeenkomsten: moordenaars uit de laagste klasse, een buitenechtelijke relatie met een (bastaard) kind, een moord met een mes, verklaringen over visioenen en stemmen in het hoofd. Bij alledrie vond een uitgebreid onderzoek naar de toerekeningsvatbaarheid van de moordenaars plaats. Büchner heeft al deze gegevens gebruikt, vooral voor zijn eerste versie, maar concentreerde zich op de vraag naar hun toerekeningsvatbaarheid.

Volgens Büchner was deze vraag onterecht. Voor het arme volk bestond er geen vrije wil, geen eigen keus en kon er dus ook geen sprake zijn van eigen verantwoordelijkheid. Zij zijn de dupe van de strijd tussen de oude adel en de nieuwe rijken - in Woyzeck gesymboliseerd door de kapitein en de dokter – en zij hebben geen rechten en geen toekomst, alleen plichten. De enorme sociale ongelijkheid maakt het onmogelijk om alle mensen vanuit dezelfde criteria, of met dezelfde normen te beoordelen. Hiermee verzet Büchner zich tegen het belangrijkste uitgangspunt van de optimistische vooruitgangsdenker Immanuel Kant, namelijk dat alle mensen gelijkwaardig zijn en in principe met dezelfde kansen worden geboren.
En optimistisch kan je hem ook niet noemen, bijvoorbeeld in deze brief aan zijn verloofde, Wilhelmine Jaeglé: ‘(..) Ik tref in de menselijke natuur een ontstellende onverschilligheid aan, in de menselijke verhoudingen een onafwendbare gewelddadigheid, aan iedereen en niemand verleend. Het individu is slechts schuim op de golven, grootheid gewoon toeval, de macht van het genie een poppenspel, een belachelijk geworstel tegen een ijzeren wet. Dat te zien is het hoogste, er macht over te hebben onmogelijk.’

Rousseau
Büchner lijkt in Woyzeck meer de lijn te volgen van de grondlegger van de Romantiek, Jean-Jacques Rousseau. In zijn Vertoog over de ongelijkheid probeert deze Franse filosoof en eenzame wandelaar aan te tonen dat het mensdom een verkeerde afslag heeft genomen toen ze zich is gaan vestigen in huizen en steden. Oorspronkelijk nomade is de mens zijn natuurlijke staat van mens-dier vergeten en heeft zichzelf daarmee allerlei ellende op de hals gehaald. Zowel Büchner als Rousseau lijken zich uit alle macht te verzetten tegen de vooruitgangsgedachte dat de mens steeds slimmer wordt, steeds meer op een almachtige god gaat lijken en steeds minder op een dier dat door zijn driften wordt geleefd. ‘Ga bij het paard in de leer’, ‘Je bent uit stof, zand en drek geschapen, wil je meer zijn dan stof, zand en drek?’, schreeuwt Büchner de mensen toe in Woyzeck.

bewust of niet?
Tijdens het werken stuitten we op een artikel waarin een onderzoek werd beschreven naar de onbewuste concepten die ons denken sturen. Een groep testpersonen was gevraagd om aan professoren te denken, een andere groep aan fotomodellen. Daarna speelden ze met z’n allen Triviant. De professoren-groep scoorde veel beter dan de fotomodellen-groep. De onderzoekers beweerden dat door aan professoren te denken bij de testpersonen verschillende concepten als slimheid, analyse, abstractie e.d. in de hersens als het ware onbewust ‘aangeklikt’ werden, waardoor ze beter waren voorbereid op de vragen dan de andere groep.
Dit is een wat simpel voorbeeld van het idee dat het functioneren van de hersens misschien wel grotendeels bepaald wordt door allerlei processen, concepten en aangeleerde oordelen waar we geen enkel besef van of controle over hebben. Maar dat wel bepalend is voor hoe we tegen de wereld aankijken en hoe we handelen, dat stiekem ons denken stuurt.
Als je daar te lang over doordenkt, word je depressief. Goed beschouwd is dan ieder mens ontoerekeningsvatbaar en bestaat er niet zoiets als een ‘vrije wil’. De mens is geen marionet in de handen van god, maar in de handen van de ongrijpbare chemische processen in zijn eigen hersenen!
Dit idee gaf ons wel een ingang voor Woyzeck. Want we wilden geen maatschappelijk betrokken voorstelling maken over onderdrukking die tot een moord leidt of een melancholische voorstelling over de verloren onschuld van de mens. Eerder een voorstelling waarin we de vraag konden stellen naar de ingewikkeldheid om over jezelf en de wereld te denken. Hoe moet je bepalen wat wel en niet belangrijk is, hoe kan je over anderen oordelen, als je jezelf en je eigen denken niet eens echt kan vertrouwen.

ordenen van het denken
En zoals bij het professoren-onderzoek laten we de tekst van Woyzeck vooraf gaan door andere teksten om de toeschouwers met een gestuurde blik, met bepaalde ‘aangeklikte concepten’, naar Woyzeck te laten luisteren. Vooral over de manier van kijken naar de wereld binnen en buiten onszelf en over de allesoverheersende invloed daarbij van ons verlangen om te ordenen, om de dingen te benoemen en in verzamelingen, lijstjes, hoofdstukken onder te brengen. En over de invloed van de volgorde die we in die lijstjes e.d. aanbrengen op de betekenis. Daarvoor gebruiken we teksten van een Japanse hofdame uit de tiende eeuw, Sei Shonagon , en van een hedendaagse Franse schrijver, Georges Perec .
Georges Perec heeft zijn hele schrijvende leven besteed aan verschillende manieren van inventariseren van het leven, met een belangrijke rol daarin voor de herinnering. Een aantal jaar geleden heeft toneelgezelschap Maatschappij Discordia een schitterende voorstelling gemaakt naar aanleiding van een tekst van hem, Je me souviens, waarbij elke zin begon met Ik herinner me... In het boek Ik ben geboren staat een artikel met de titel Denken/Klasseren. Hierin probeert Perec het denken zelf, te klasseren. Hoe denk ik als ik denk? En hoe denk ik als ik denk dat ik denk? In een aantal fragmenten behandelt hij schijnbaar willekeurig allerlei vragen en wetenswaardigheden die verband houden met het ordenen van het denken. Welke logica heeft ten grondslag gelegen aan de verdeling van de zes klinkers en twintig medeklinkers over ons alfabet?
Onder het kopje ‘Sei Shonagon’ vertelt hij over het vreemde dagboek dat deze Japanse hofdame heeft geschreven, Het Hoofdkussenboek. Dit is een verzameling van opsommingen, notities en anekdotes die Sei Shonagon maakte tussen 965 en 1000 na Christus, en dat ze bewaarde in een geheime la van een houten hoofdsteun. Voor ons is het een bijzondere ervaring om dit boek te lezen. Het staat helemaal vol met allerlei opsommingen en rijtjes waarin ze in details het leven van een gezelschapsdame aan het keizerlijke hof beschrijft, zowel het gevoelsleven, als het uiterlijke leven van etiquette en decorum.
Elke titel spreekt zeer tot de verbeelding, maar de opsomming die volgt is vaak vervreemdend of exotisch en dan plotseling weer erg herkenbaar. Er zijn kopjes als afschuwelijke zaken, deprimerende dingen, angstaanjagende dingen, beangstigende en overrompelende dingen, onaangename dingen om te horen, zaken die een prettige herinnering oproepen, prettige dingen, zeldzaamheden en dingen die aan schoonheid winnen als ze worden afgebeeld, maar ook kopjes als bomen, insekten, dagen, jaargetijden, vogels, wolken, neerslag, kimono’s, waaiers, wat een huis behoort te hebben, enzovoort.
En onder de afschuwelijk zaken noemt ze een rondrennende muis, of vlooien, maar ook iemand die een wens voor zichzelf mompelt nadat hij heeft geniest, of een minnaar die ‘s ochtends niet op de goede manier afscheid neemt. En onder de bomen noemt ze de gewonde eik én de hinoki-cipres. En dingen die dichtbij en toch veraf zijn: het paradijs en de betrekkingen tussen een man en een vrouw. Allebei de boeken zijn geweldig om te lezen als alles om je heen een beetje saai en herkenbaar begint te worden, een weldadige hersenmassage.

Reblog this post [with Zemanta]

Meer over: