De Groene Amsterdammer, 6 maart 2004 - door Loek Zonneveld
Georg Büchner's toneelpartituur Woyzeck (1836/1837) laat zich lezen als de koortsgrafiek van een stervende. Büchner is nog geen 24 jaar jong als hij, ijlend, de laatste forse doorhalingen maakt in het manuscript en de laatste woorden noteert. Pas drieënveertig jaar later verschijnen de (ongeordende) scènes uit het leven van een eenzame sterveling min of meer geordend (in vier handschriften, 49 scènes met veel overlappingen) in druk. In 1913 (zesenzeventig jaar na de dood van de schrijver) wagen theatermakers zich (in München) voor het eerst aan een voorstelling van Woyzeck. Nederland moet tot 1959 wachten: Ton Lutz regisseert het stuk dan in Rotterdam, met Bob de Lange in de titelrol. Er is dan al een legendarische opera-versie van het script: Wozzeck van Alban Berg (wereldpremière in Berlijn, 1925).
Woyzeck heeft echt bestaan. In het Museum over de geschiedenis van de Duitse stad Leipzig hangt een gravure met als ondertitel: 'Johann Christian Woyzeck gaat als berouwvol Christen zijn dood tegemoet op het marktplein te Leipzig, 27 augustus 1824'. Op 3 juni 1821 heeft hij een vrouw met zeven steekwonden vermoord. Crime passionel of moord uit waanzin? Er is veel onderzoek verricht naar de toerekeningsvatbaarheid van Woyzeck. Büchner kende die onderzoeken. Misschien was hij bij de publieke onthoofding van Woyzeck in Leipzig. De casus Woyzeck intigeerde hem. Maar als wat? Slachtoffer van medische experimenten? Een man gek gemaakt door een doldraaiende samenleving? We weten het niet. Ons resten vier handschriften, met doorhalingen, onleesbare teksten. Woyzeck is een puzzel, een uit elkaar gevallen mozaïek.
De toneelspelerstroepen van 't Barre Land en maatschappij discordia hebben iets anders (her)ontdekt in Woyzeck. Zeker, de titelheld - de eerste antiheld uit het gewone volk op het toneel - is een jaloerse ongehuwde vader, die wat geld bijverdient als medisch experiment bij een dokter en als kapper bij een militair. Maar hij communiceert met zijn omgeving vooral door nauwkeurige observaties die over sfeer, geur, kleur, temperatuur en temperament gaan. En over stilte. De toneelspelers beginnen hun voorstelling, die uiteindelijk bij Woyzeck zal uitkomen, in stilte, in aarzeling, in nog niet willen prijsgeven. Ze citeren waarnemingen. Over het licht van een jaargetijde, de geur van een seizoen, de tintelingen in het lijf wanneer een minnaar komt, de irritaties wanneer die minnaar de verkeerde dingen doet of zegt. Achteraf blijkt dat de teksten komen uit Japanse slaapkamerdagboeken van duizend jaar geleden, of uit teksten van de Franse schrijver Georges Perec. Dat is wetenschap achteraf, die er tijdens de waarneming niet toe doet. De werking van de woorden wel. We worden in een sfeer gezogen. Ondertussen heeft er nog geen woord uit Büchner's Woyzeck geklonken. Toneelspelers plakken spiekbriefjes op elkaars jas. Rangschikken teksten als puzzelstukken op een tafeltje. Een acteur schrijft teksten in een boekje. Hij ritst de pagina's uit dat boekje. En prikt ze op de achterwand. In het eerste uur van Woyzeck (jazeker, het stuk is aangekondigd, ondertussen nog altijd geen spoor van Woyzeck te bekennen) worden we door de toneelspelers verleid. De sfeer van dat eerste (kleine) uur van de voorstelling is bovenal verwondering. De toneelspelers schroeven de deuren en luiken (die iedere toneelkijker met zich mee draagt) los, en zetten de toneelruimte in een helder licht. Ze zijn geduldig en oefenen ons in geduld.
En dan, plotseling, zijn we op een open veld, is er een stad in de verte. De vertelling is begonnen, de vertelling van Woyzeck, de man van twaalf ambachten en dertien ongelukken, getergd door een razende jaloezie en een ongeduldige reeks filosofische overpeinzingen in zijn kop, ten overstaan van studenten medicijnen weggezet als kermisnummer, gehoond door een kapitein, getergd, mishandeld en de hoorns opgezet door een hitsige tamboer-majoor, potentieel moordenaar.
'Ik ben een arme duivel' Woyzeck (2)
De Groene Amsterdammer, 13 maart 2004
Loek Zonneveld
Omdat het manuscript van Büchner's Woyzeck (1836/1837) bestaat uit vier moeilijk leesbare en onderling nogal verschillende handschriften met eveneens verschillende volgordes van scènes, maakt iedere theatermaker die aan het stuk begint zijn eigen vertelling. Regisseur Johan Simons bijvoorbeeld regisseerde Woyzeck twee keer. De eerste keer (Hollandia, 1992) leek de locatie (een fabriekshal in Hoorn) op een inrichting, de acteurs droegen witte hemden van psychiatrische patiënten. Als opening werd de scène gebruikt waarin Woyzeck en zijn vriend Andres takken snijden. Woyzeck heeft in die scène visioenen over de ondergang van de wereld. Andres schrikt van zijn duivelse gekte. De voorstelling ontrafelde een ziektebeeld. De tweede Woyzeck van Simons (Zuidelijk Toneel/Hollandia, 2001) opende met de scène waarin Woyzeck de kapitein scheert (waarmee Alban Berg ook zijn opera-versie begint). Woyzeck wordt hier getoond als een slimme man die zich bewust is van zijn sociale positie: 'Ik ben een arme duivel. Ons soort is ellendig in deze wereld en in de volgende.' De microkosmos van Woyzeck werd in deze versie getoond als een laboratorium waarin met mensen wordt geëxperimenteerd. De wetenschappen die Woyzeck omringen en manipuleren worden medeverantwoordelijk gehouden voor de misdaad die hij pleegt - de moord op zijn vrouw/vriendin Marie.
De acteurs van 't Barre Land en maatschappij discordia willen Woyzeck in de allereerste plaats aan ons vertellen. Een grote greep op de stof of een dwingende interpretatie van het materiaal worden slim ontweken. De toneelspelers schakelen razendsnel en recht op het publiek van situatie naar situatie, van handeling naar handeling. We zijn al meteen in de eerste minuten op alle plekken van Woyzeck tegelijkertijd: in het open veld met vriend Andres, bij de kapitein (die Woyzeck bespot), bij de dokter (die in Woyzeck een evolutionair proefdier ziet), bij Marie (die het kind van Woyzeck opvoedt, hem een rare vent vindt en op zoek lijkt naar een echte kerel, eentje die niet zo maf is). En doordat de toneelspelers het verhaal van Woyzeck kriskras doorkruisen en nauwelijks inleving hanteren, houden ze afstand, ook en vooral van een dwingende interpretatie. We wonen eigenlijk met zijn allen (vertellers/spelers én publiek) een uur lang in het hoofd van deze getormenteerde mens. Nieuwsgierig, met veel vragen en niet op zoek naar antwoorden. Zoals hun introductie op Woyzeck (zie de Groene van vorige week) werkt als een verleiding tot contemplatie, zo werkt de razendsnelle Büchner-epiek van deze toneelspelerstroep als een vogelvlucht-perspectief op de wanhoop van de titelheld. Met momenten van rust. Zoals de scène waarin de overspelige Marie troost zoekt in het Bijbelverhaal over de hoer Maria Magdalena.
De liefhebber van de toneelkunst loopt een gerede kans veel versies van Woyzeck aan zich voorbij te zien komen. Het stuk is een kerstboom, waar in de loop van de jaren veel Weltschmerz in is gehangen: de teloorgang van een gek, toerekeningsvatbaarheid voor een crime passionel, de wereld als kermis, schijngestalten van melancholie, maakbaarheid van de mens in een biogenetisch laboratorium. De versie van 't Barre Land en maatschappij discordia vermijdt zo'n dwingend perspectief. Daarmee wint deze voorstelling aan glans en helderheid. In een deel van de dagbladkritiek trof ik het verwijt aan dat dit toneelevenement uitsluitend voor kenners is gemaakt. Een elitaire Woyzeck heet zoiets. Had ik totaal geen last van. De tekst leek transparanter dan ooit tevoren. En het mooie van goed toneel is dat een stuk als Büchner's Woyzeck daar alleen maar raadselachtiger op wordt. En zo, hernieuwd, aan kracht wint.
Loek Zonneveld