Toneel is een koud kunstje

“Ik weet nog precies hoe ik destijds dat toneelstuk schreef. Nou schreef ik in die tijd veertig toneelstukken per jaar. Maar juist daaróm! Zo’n overweldigend succes als dat van Als Moeder te veel is - dat overkomt je nooit! Dan denk je allicht: ‘Laat ik vooral onthouden hoe ik het heb gedaan!’

Normaal schreef ik dus een toneelstuk per week … Wat zegt u? Zeven dagen? Niks zeven dagen! Zaterdags en zondags raakte ik geen pen aan! Vrijdagsavonds was het première, en pas zondagsavonds wist de directeur van het theater of er loop genoeg in zat voor twee weken. Meestal niet.

Dan zei hij: ‘Heb je wat voor de volgende week, Henk?’ Dan zei ik: ‘Jawel.’ En hij weer: ‘Hoe heet het?’ En ik: Als Moeder te veel is! Dat zei ik die ene keer dan. Je mot wat zeggen. De drukker van de aanplakbiljetten wil het weten.

Ik ben toen even de kroegen afgegaan om dronken te worden. Niet als een Maleier - gewoon dronken. Om half een was ik thuis, en toen ben ik op mijn knieën voor de crapaud ingeslapen. Met mijn kop op de zitting. Om half vijf in de ochtend werd ik wakker.

Dat ik dat ook nog zo precies weet is niet verwonderlijk. Ik deed het altijd. Je probeert de meest gunstige voorwaarden te scheppen voor het schrijven. Ik weet niet meer hoe ik ontdekt heb, dat ik na vier uur slaap waanzinnig helder wakker word, als ik me een flink stuk in de kraag heb gedronken, en op mijn knieën voor de crapaud ben gaan liggen. Waarschijnlijk heb ik dat es gemerkt, op een avond toen ik écht als een Maleier was. In elk geval was het mijn vaste program: directeur spreken, pikketanis pakken, om half één op de knieën voor de crapaud, en om half vijf in de nacht wakker worden met lol an me vak.

En dan geen licht maken hè - da’s ook belangrijk. Ik had een theelichtje waarvan het schijnsel net even het papier pakte.

Het komt vanzelf op je af. Een plan had ik nooit. Ik had op dat moment twee dingen: de titel en het lijstje met de acteurs en actrices.

Dat laatste móet je hebben! Anders laat je die mensen dingen doen die ze niet kunnen. Nou had ik toen Mien Erfman-Sassbach. Die was al op d’r retour. Jaaaa! In de schouwburg op Het Plein hadden ze d’r wel gezien. Maar op de Rozengracht is ze dan evengoed nog een trekpaard.

Ik begin me af te vragen; wat willen de mensen zien. Dat was in dit geval eenvoudig te beantwoorden: Mien Erfman-Sassbach. En het stuk heet Als Moeder te veel is, dus Mien is de moeder. Maar nou heb ik ook Charley Nalbach … Da’s juist de pest! Daarom wordt dat stuk nooit meer opgevoerd. Charley kon een kind van tien jaar spelen. Hij was eh - hoe heet dat - een misgeboorte. Hij was achtentwintig en hij kon een volslagen kind van tien jaar maken. Goed, Mien Erfman-Sassbach wordt dus geen moeder, maar opoe. Ik schrijf op:

‘Opoe zit een sok te stoppen.’

Ik zie me dat nog opschrijven. Dat kan helemaal niet. Nee. Beroemde actrices kan je rustig tegen de schenen schoppen, maar een actrice die beroemd is gewéést … ! Da’s het vrouwtje knakken!

Als ik begin met Mien Erfman-Sassbach die een sok zit te stoppen, komt geen hond op het idee dat mens een applausje te geven. Ze mot een entreetje. Ik open dus met Charley op het toneel. Met stoffer en blik. Daar kan ie mee bezig blijven tot de mensen zijn uitgehoest.

Dan zegt ie: ‘Nou is de kamer weer gezellig, en zal ik opoe maar binnen roepen.’ Fijne jongen, Charley – kon het óók geen donder schelen!

Opoe zegt dan: ‘Als jij in het leven zo ijverig blijft, zal het je nooit slecht gaan.’ Daar heb ik een bedoeling mee. Charley kan daar op zeggen: ‘Waarom is moeder dan zo vroeg dood gegaan? Die was toch ook ijverig?’ – Dat kon ie lekker onschuldig-eigenwijs zeggen, en hij stond er meteen dieptragisch op! Verweesde kleine! En die moeder mot dood wezen, anders kan de opoe geen hoofdrol zijn. Zie je? Een plan moet je echt niet van tevoren hebben. Dat ontstaat vanzelf uit de noodzaak van het ogenblik. Ga maar na: moeder is dus dood, opoe voedt de kinderen netjes op, maar vader wil hertrouwen met een sloerie. Tragiek! Opoe protesteert in het algemeen belang, en vader gooit haar geest van zout in het gezicht – zijn eigen moeder! Die wordt daar blind van, dus wat Mien Erfman betreft ben ik uit de zorgen - die heeft van alles te doen.

Eigenlijk ben ik op dat ogenblik al uit de zorgen voor dat hele stuk.

Maar voor ik die paar betrekkelijk eenvoudige dingen heb bedacht is het al half zes hoor. Gelukkig gaat de rest veel vlugger. Van half zes tot half elf - dat is een volle vijf uur. Daarin schrijf ik met gemak dat hele stuk… Waar ik die andere vier dagen voor nodig heb? Voor het herschrijven natuurlijk! Toneelstukken herschrijf je altijd een keer of wat tijdens het repeteren. Je kan acteurs nog zo goed kennen - ze stellen je altijd voor verrassingen. Wat ze de vorige week nog waar konden maken, blijken ze nu ineens niet meer te kunnen. En er zijn ook telkens dingen waarvan je wéét: dat doet ie niet! En dat blijkt-ie dan ineens te willen. Dan schrijf je gauw een andere kant op. Behalve als ze iets bespottelijks willen, maar je wordt het altijd eens. Voor ruzie is geen tijd.

Maar ze moeten toch op de eerste repetitie een heel toneelstuk zien, en die eerste repetitie is om elf uur, dezelfde ochtend dat ik om half vijf ben begonnen te schrijven - daar had ik het over - ik zal het je precies uitleggen, want jullie jonge schrijvers maken niks meer voor het toneel, en ik heb al zijn leven het idee, dat zekere misverstanden daar een rol bij spelen. Toneel is een koud kunstje. Je moet het even weten. En dan is het een aardige bijverdienste. Je hoofdbezigheid moet je er nooit van maken. Neeee! - Voor mij? Voor mij is de hoofdzaak liedjes. Altijd geweest. Een liedje, da’s iets van jezelf…! Toneel niet. Benje belazerd!

Ik ben altijd beroemd geweest om mijn snelheid van werken. Mijn mooiste liedjes heb ik in een half uur geschreven. Mijn slechtste trouwens ook. Maar van dat halve uur zit ik vijfentwintig minuten te kijken op het refrein, dat heel kort moet zijn.

Dertig jaar geleden stond er in de krant iets over de mishandeling van koelies in Indië. Misschien is het zelfs wel veertigjaar geleden.

Hoe oud is Piet Muyselaar nu? Die begon toen net. Ik schreef als de bliksem een liedje voor Piet in het uniform van een koloniaal bij rood licht, met begeleiding op ‘t orgel. Het refrein ging van: ‘Want zoiets kan ik niet verdragen - Ik heb nog een hart in mijn pens. - Waarom dan die koelies geslagen? - Of is soms een bruintje geen mens!’ Als ik dat maar heb hè, dan gooi ik in vijf minuten een hele serie coupletten op papier - da’s gewoon een beetje verhalend werk - ik weet niet eens meer hoe het ging …

O ja, het ging van: ‘Wanneerje in Holland geen cent kan verdienen - Dan trek je dit pak voor je boterham aan.’ Enzovoort. Dat pak van een koloniaal dan. Ze braken de tent af voor Piet. Vraag het hem zelf! Piet? Bij het uitgaan van het theater mengde hij zich onder het publiek en zei: ‘Die man in dat uniform van koloniaal, dat was ik!’

Daar mag je Piet niet speciaal op aankijken. Elke beginnende theaterman doet dat. Ze houden daar even snel weer mee op, want het is of je een klap in je gezicht krijgt. Publiek reageert dan alleen maar op de manier van: ‘Wat heb ik met jou te maken?’

Intussen is de bevolking verdubbeld, en de theatercapaciteit gekrompen tot eentiende van wat het vroeger was. Dus is het toneelpubliek teruggelopen tot eentwintigste. Vijfennegentig procent blijft weg.

Het toneel zal verdwijnen met de generatie die nu vijftig is … 0 ja, dat weet ik; elke directeur zegt dat er zo verheugend veel jeugd bij hem in de tent komt. Ze zeggen het mij een beetje te vaak. Ze knijpen hem als ouwe dieven. Denk er om dat je het merkt als directeur. Je denkt ineens: ‘Verrek, ik heb het licht in de zaal toch uitgedraaid - waarom wordt het dan niet donker?’ Dat komt van al die grijze koppen!

Er is niks te leren aan dat schrijven voor toneel. Ja toch! Daar heb ik me zelf mee vergist toen ik begon. In 1918. Je kon toen als afzwaaiend soldaat een lening krijgen van de middenstandsbank, tenminste als je kon aantonen, dat je voor de mobilisatie een kleine zelfstandige was. Maar ik was niet thuis toen die vent van de bank kwam informeren en moeder zei dat ik wagenpoetser was bij de spoorwegen. Ze had moeten zeggen dat ik liedjesschrijver was!

Toen ik zestien was, schreef ik mijn eerste liedje. Voor Tillie. Tillie Kalkhoven. Die was toen dertien. Ze was mijn vriendinnetje. Artiesten waren toen nog zo verschrikkelijk arm. Nu niet meer.

Tillie zong liedjes in het Apollo theater. ‘Popje popje popje’ en ‘Mariechen sass am Fenster.’ Nou had je destijds een beroemde liedjesschrijver; die heette Jacques van Campen. Eens in de week hield ie zitting.

Dan mochten artiesten op hun buik naar hem toekruipen om de genade te ontvangen van een liedje voor zes gulden bijna een weekloon! Ik ben vooral zo driftig geworden omdat Tillie naar die vent zijn verveelde blotebillengezicht keek of ie meneer de godheid zelf was. Ik heb d’r meegesleurd an d’r armpje.

Ze had een hondje. Daar zat ik mee achter in de zaal. En een werk dat ik er aan had, want dat beest moest zijn bek houden tot ik hem losliet. Tegen Tillie had ik gezegd dat ze aan de bedeling moest denken. Dat was voor arme mensen vroeger. Dan kreeg je een bon voor turf en droge gort, maar vet kreeg je er niet bij, dus je kon er niks van maken. Daar heb ik het nog wel es over met dominee Hille. Die zegt ook dat het een schande was …

Tillie kwam op met een leeg halsbandje, en dan dacht ze even aan de bedeling, en dan begon ze smartelijk te wenen. En dan zong ze mijn liedje van ‘Ik ben mijn lieve Pukkie kwijt.’ Aan het eind liet ik die hond los hahahaha!

Wat ik fout heb gedaan? Ik heb niks fout gedaan! Hoe kom je daarbij … ? 0, wat ik vertelde van die middenstandslening. Die heb ik gewoon niet gekregen. Maar ik dacht toen: ‘Die toneelmensen zijn beroemd, en ik kom pas kijken - ik mot ze zekerheid van centen geven!’ Dat moet je nóóit doen!

Ik wou dat ik weer jong was. Twintig noem ik niet jong. Twintig noem ik niks. Veertig zou ik willen zijn. Dan ging ik me nu op staande voet een stuk in de kraag drinken, en morgen om half elf had ik een stuk over boer Koekoek. Heel Amsterdam zou komen kijken. Ik zou ze laten bulken van het lachen.”