Portret van een officier en een meisje

Voor Theater aan het Spui schreef 't Barre Land een achtergrond artikel over Freud, Schnitzler, luitenant Gustl en mejuffrouw Else. Hieronder de tekst en ook in opgemaakte versie in PDF bijgevoegd, de twee versie zullen licht van elkaar verschillen.

‘Waarom vraagt Freud zich af, heb ik nooit contact met u, Schnitzler, gezocht? Het antwoord op deze vraag bevat een mij te intiem schijnende bekentenis. Ik bedoel, ik heb u gemeden uit een soort dubbelgangersangst.’ Met dit beroemde briefje dat de zesenzestig jarige psycho-analyticus aan de schrijver stuurde voor zijn zestigste verjaardag, opent Willem Jan Otten in De letterpiloot een artikel over de Weense schrijver Arthur Schnitzler.
Schnitzler is beroemd geworden als schrijver van toneelstukken als Anatol, Reigen of Liebelei, maar ook als de eerste duitstalige schrijver van ‘monologue intérieurs’: novelles waarin de lezer alleen de gedachten van de hoofdpersoon leest. Het vernieuwende aan deze vorm was dat voor het eerst de dunne lijn tussen het het bewuste en het onderbewuste opgezocht werd. Een voorloper van de ‘ecrituur automatique’ die de surrealisten later toepastten om het onderbewuste bewust naar boven te krijgen en zich te bevrijden van conventies. Willem Jan Otten beweert in zijn artikel dat wij, sinds wij niet niet meer over een god beschikken die ons kent, het onderbewuste hebben gecreëerd om ons de illusie te verschaffen dat we onszelf kunnen kennen. Je kan je afvragen of het niet andersom is: Sinds we geen god meer hebben die we niet kunnen kennen, gebruiken we het onderbewuste als de behoeder van het mysterie of het geheim. Maar waar het Otten om gaat, is dat de bekentenis van een geheim – zoals het briefje van Freud – de bekenner zowel intimiteit oplevert als ondoordingbaarheid. De preoccupatie met het geheim geeft iemand de mogelijkheid om oost-indisch doof te blijven voor anderen. Volgens Otten is ‘ondoordringbaarheid’ hét thema van het werk van Schnitzler.
In 1900 schreef Schnitzler zijn eerste monoloog interieur, Luitenant Gustl, over een soldaat die in de opera beledigd wordt door een banketbakker en naar goed gebruik, zelfmoord moet plegen om zijn eer te redden, omdat hij niet kan duelleren met iemand uit de burgerij. Naar aanleiding van de publicatie werd Schnitzler zelf met oneervol ontslag uit het leger verwijderd. Hij zou het roemruchte uniform van het Oostenrijkse leger belachelijk hebben gemaakt.
In het eerste deel van de schitterende trilogie van Hermann Broch, De slaapwandelaars, beschrijft een pruisische officier dat hij zijn uniform als een tweede, betere huid ziet: ‘Zo krijgt de man die ’s morgens zijn uniform tot de laatste knoop gesloten heeft, inderdaad een tweede en steviger huid en het is alsof hij in zijn eigenlijke en vastere leven terugkeert. Opgeborgen in zijn hardere foedraal, gesloten met riemen en gespen, begint hij zijn onderkleding te vergeten, en de onzekerheid van het leven, ja het leven zelf verwijdert zich.’ Het uniform als een ondoordringbaar pantser dat alle vleselijkheid van het bestaan – neuken, geboorte, eten – verbergt.
Het is precies dát kenmerk van zijn tijdgenoten, het verbergen van de geheime verlangens en lusten achter de sociale conventie van de erecode, waartegen Schnitzler met zijn Luitenant Gustl ageert. Gustl maakt een nachtelijke wandeling door Wenen om de consequenties van de gebeurtenis te overdenken. Halverwege komt hij (wederom) tot de conclusie dat hij zelfmoord moet plegen, want ‘het doet er niet toe of anderen het weten, ík weet, ik weet het.’ Maar als hij aan het eind van zijn wandeling in het koffiehuis hoort dat de banketbakker ’s nachts is overleden en het aan niemand verteld kan hebben, verwerpt hij deze redenering en het idee van zelfmoord net zo makkelijk: ‘Wat een moordmazzel dat ik naar het koffiehuis ben gegaan, anders had ik me voor niks doodgeschoten.’ Oftewel, zijn handelen wordt niet bepaald door een innerlijke noodzaak, maar door de regels van de samenleving, waar Gustl zich volledig onbewust aan onderworpen heeft.
Vierentwintig jaar later en een wereldoorlog verder schrijft Schnitzler opnieuw een monoloog interieur, Mejuffrouw Else. Deze keer is de hoofdpersoon geen soldaat, maar een negentien (?) jarig meisje dat door haar ouders naar een hotel van haar tante is gestuurd. Om haar ouders te redden van een financieel schandaal, geven ze haar de opdracht om geld te lenen van een joodse heer. Deze heer verlangt een wederdienst: hij wil haar een kwartier lang bloot zien.
Met deze tekst raakt Schnitzler aan een tweede hekel punt van zijn tijd, dat van de verborgen meisjeshandel. Ouders die hun kinderen gebruiken en uithuwelijken om een betere sociale of financiële positie te krijgen.

 

In een aanval van hysterie besluit Else dat als één man haar naakt moet zien, dat dan iedereen haar naakt moet zien. Als ze zich moet prostitueren voor haar ouders, dan wil ze ook een slet voor de hele wereld zijn. In de muziekkamer toont zij haar naakte lichaam aan alle hotelgasten en koketteert met de gedachte aan zelfmoord. Schnitzler, die zelf een dochter had die zelfmoord pleegde, beschrijft in Mejuffrouw Else een meisje dat met haar ontluikende sexualiteit geen kant op kan, dat wanhopig op zoek is naar spanning omdat zij zich doodverveelt. De Weense schrijver Karl Kraus, een felle aanklager van elke vorm van hypocritie, schreef naar aanleiding van een proces, waarin een vader veroordeeld werd omdat hij zijn dochter de prostitutie ingedreven had: ‘Zoals de aangeklaagde daar stond, die ‘moest toegeven dat hij het meisje heeft geïntroduceerd in een wereld, waarin men zich niet verveelt’! Maar in een wereld waarin zulke uitspraken een ‘bekentenis’ en zo’n bekentenis de veroordeling wegens een misdaad betekent, en waarin verveling een levensdoel is, daar is de burgerman een ethicus; want hij dwingt zijn dochter om van de boekhouder te houden die hij bij haar introduceert, als de enige en ware boekhouder, buiten welke er geen andere boekhouders op aarde bestaan; hij geeft haar naast de verveling nog een levenslange walging kado en maakt haar hysterisch tot in het derde of vierde geslacht.’ Hysterie, onderdrukte sexualiteit en verveling: de hel van een meisje in de burgerlijke samenleving.

Maar onder dit tragische verhaal over Else speelt zich een (historisch gezien) minstens zo tragisch verhaal af: de positie van de joden in de maatschappij. Heel Wenen was in die tijd in de ban van een boek van de jood Otto Weininger, Geslacht en Karakter, waarin hij de joden en vrouwen als het grootste kwaad omschrijft. Elk mens heeft in zijn karakter een vrouwelijke cq joodse kant die zoveel mogelijk onderdrukt moest worden. (De uiterste consequentie daarvan toonde Weininger zelf, door in het huis van Beethoven, die overigens net als Schnitzler doof was, zelfmoord te plegen). Schnitzler neemt als hoofdpersoon voor zijn novelle een vrouw en een jodin, die de spot drijft met de andere jood – de geldschieter – die zijn naam veranderd heeft en alle uiterlijke kenmerken probeert te verbergen. In kleine, onderhuidse opmerkingen beschrijft Schnitzler de sociale gevangenschap van de joden, de zelfhaat en de assimilatieproblematiek.


Met Luitenant Gustl en Mejuffrouw Gustl heeft Schniztler twee monologen geschreven die de paradox van het bestaan blootleggen: Omdat wij bloot zijn willen we een uniform om ons te kleden. Omdat het uniform knelt, willen we het afwerpen en bloot rondrennen. Zelf zag Schnitzler geen verschil tussen de monologen, of tussen de tijd voor en na de eerste wereldoorlog. ‘In ieder mens afzonderlijk heeft nog niet de kleinste verandering plaatsgevonden, er is niets anders gebeurd dan dat bepaalde remmingen uit de weg geruimd zijn en dat allerlei kwajongens- en schurkenstreken uitgehaald kunnen worden met een in elk opzicht, zowel materieel als ethisch, verhoudingsgewijs kleiner risico dan vroeger. Verder praat men tegenwoordig wat meer en wat onbeschroomder dan vroeger over eten en over geld.’

Toch zou je kunnen zeggen dat hij precies die mentaliteiten heeft beschreven die de impliciete oorzaken zijn geweest voor het uitbreken van de oorlog, zowel van de eerste als van de tweede. De ontkenning van de innerlijke normen die Gustl aan de dag legt, de onderworpenheid aan de geldende code en het verlangen naar een oorlog om de verveling te doorbreken spiegelen het blinde enthousiasme waarmee de Oostenrijkers zich in de ‘Grote Oorlog’ wierpen en dertig jaar later Hitler toejuichden op de Heldenplatz.'

BijlageGrootte
g&espui.pdf1.12 MB