Willem Nijssen besprak voor de Provinciale Zeeuwse Courant van maandag 23 november onze voorstelling De laatste dagen der mensheid in Brugge.
Over De laatste dagen der mensheid (afgelopen vrijdag in De Werf in Brugge) kan je van tevoren al een hele pagina vol schrijven.
Het is, om te beginnen, het omvangrijkste toneelstuk (770 pagina's) dat ooit geschreven is, met de meeste rollen (700), de meeste dialecten en de meeste scènewisselingen (500). Als het stuk integraal uitgevoerd zou worden, zou dat minstens tien normale theateravonden in beslag nemen. En de kans dat je onderweg het spoor zou bijster raken, is levensgroot, want de tekst bestaat uit talloze grillig gemonteerde flarden van gesprekken, reclamefolders, speeches en krantenartikelen. Art trouvé, wordt dat wel genoemd.
Die montagetechniek is wel een beetje tekenend voor de tijd van ontstaan: 1922 Maar hij is minstens zo tekenend voor de verbijstering en de verwarring die de schrijver ervan, Karl Kraus, ervoer tijdens de Eerste Wereldoorlog. Want dát is het onderwerp van De laatste dagen der mensheid. Vijf bedrijven lang, voor elk oorlogsjaar één. Vanuit een onbarmhartig perspectief: Kraus beschouwde die Eerste Wereldoorlog namelijk als een persoonlijke belediging van zijn intelligentie en zijn gevoel.
Geen wonder dat De laatste dagen der mensheid altijd is beschouwd als onspeelbaar. Strikt genomen is het dat ook. Maar dat is buiten het eigenzinnige gezelschap 't Barre Land gerekend. Zes jaar geleden heeft dat aan Erik Bindervoet en Robbert-Jan Henkes de opdracht gegeven dit stuk te vertalen. Het vuistdikke boek is nu te koop. Karl Kraus was oprichter van het polemische tijdschrift Die Fackel, een soort van eenmansverzet tegen alle hypocrisie. Hij gebruikte een uiterst effectieve methode: hij liet zijn vijanden zo veel mogelijk zelf aan het woord. Hij citeerde woordelijk en dat blijkt de huichelarij uiteindelijk het meest adequaat bloot te leggen. Datzelfde doet hij in De laatste dagen der mensheid. "Alles is echt gebeurd. De onwaarschijnlijkste gesprekken die hier worden gevoerd, zijn woord voor woord zo uitgesproken; de schrilste verzinsels zijn citaten."
Eerst raffelen ze de vijf jaar oorlog (de vijf bedrijven dus) in een half uur af. Hoog tempo van spraak, 'changement' het toverwoord om te doen geloven dat we alweer in een volgende scène zitten. Karrenvrachten ironie, ladingen sarcasme. 'Pas op' het signaalwoord (dikwijls te laat) voor rondvliegende champagnekurken en voor vurende gaskanonnen. Prelude op het chaotische slot. Dan een door onvoorspelbare, komische intermezzo's verstoord middendeel, een lange dialoog tussen een kniesoor en een optimist. Opnieuw à tempo furieux, vlijmend, vol citaten, memorabel maar niet te onthouden. Een duel op woorden, zonder winnaar, vol leugenaar.
Tot slot (er zijn dan na een pauze al lege stoelen in de zaal) een hilarisch wansmakelijke vertoning, een diner van drie hoge militaire heren, gevolgd door een fusillade van citaten eindigend in de laatste woorden, van God zelf: "Ik heb dit niet gewild." Gesmoord in een spaghettibaard. Fysiek theater, als ik dat woord nog kan plakken op dit uitzinnige smijten met voedsel en kapotslaan van glazen en flessen, zelfs op een hoofd! Anti-theater dus. Waar je desondanks ademloos naar kunt kijken. Omdat het anti een oorsprong heeft, al weet je niet wat er aan te doen. Dat kan boos maken. En dat kan je meevoelen…