Avond 4 door Tjeerd Bischoff

Vanaf het begin is duidelijk dat dit een andere avond gaat worden (zie verslag van avond 1). Niet langer het groepje zwarte figuren aan het eind van de zaal, verstild en op iets wachtend. In plaats daarvan wordt er veel en energiek op en neer gelopen: acteurs die zich klaarmaken voor wat komen gaat. Margijn neemt een tekst door, Matthias maakt de houten vloer nat, Jan Joris steekt half ontkleed boven een bank uit, wederom worden er veel jasjes aan en uitgetrokken. Dit alles in het halfduister, ook het licht zal anders zijn.
Iemand probeert zich iets te herinneren, Margijn vertelt over een eiland waaronder 8 eikenhouten vloeren liggen en dat de boel instort op het moment dat ze gaan graven. Miranda blaast in een glas water en vraagt of dit duidelijk genoeg is als Storm en opnieuw belanden we in een abstracte versie van de wereld van Prospero en een groep drenkelingen.
Er wordt volop door elkaar heen gepraat, Jan-Joris stelt dat het niet erg is als het niet te volgen is. Eerder hoorde ik hem al zeggen dat hij het  idee heeft dat enthousiasme belangrijker is dan de inhoud, later dat er geen zichtbare bedoelingen mogen zijn, nog weer later dat niet a priori moet benadrukken dat dingen met elkaar te maken hebben. Kortom allemaal aanwijzingen aan publiek en medespelers niet te hard je best te doen te begrijpen/begrijpelijk te zijn.
Moeilijk, ik kan mijzelf niet uitzetten. En er worden wel degelijk dingen gezegd en gedaan die verwijzen naar een verborgen inhoud. Misschien moet ik het anders zeggen. Alles op het toneel lijkt als vanzelf iets te willen betekenen. En hoe moeilijker het mij wordt gemaakt, hoe uitgehongerder ik raak en hoe fanatieker ik mij stort op ieder houvast. Maar dat is waarschijnlijk het spel dat wordt gespeeld. Hoeveel kan je schrappen, hoever kan je gaan in abstraheren?
Jan-Joris buigt zich over een omgekeerde kist, dat een proeftoneeltje blijkt te zijn. Hij haalt daaruit groen geschilderde kranten die men door de verf heen probeert te lezen en die vervolgens het boek van Prospero worden genoemd… Dat is zwanger van betekenis.
Maar wat is in godsnaam dat doek dat op de grond wordt gespijkerd? Is dat een schildersdoek? En waarom wordt dat ei gekookt?
Net als de eerste avond is Anouk met verf bezig. Een soort geel, waarvan ze niet goed weet welke kleur dat is. Als later het verhaal komt over de schilder Bonnard die een geweldige kleur ontdekt en naar een tentoonstelling gaat van zijn eigen werk om daar alsnog ieder schilderij even met die kleur aan te dippen, knoop ik dat vast aan die verf en ben blij als een kind dat een sommetje heeft gesnapt.
Aan het verhaal over Bonnard wordt de vraag verbonden of het mogelijk is terug te keren naar je eigen voorstellingen. Opnieuw komt het thema van de herinnering naar boven. Maar deze avond is de teneur veel somberder. Jan Joris en Vincent proberen  een Shakespeare-scene uit die ze vroeger gespeeld hebben: “ik ben een man die een vrouw speelt die een man is." Het speelt zich af in een bos, maar Jan Joris weet het niet meer. Vincent souffleert hem: “Lieve Celia, ik doe al vrolijker dan ik in werkelijkheid ben. Alsjeblieft geen woorden meer, ik wil huilen.” Een mooie en treurige poging.
Later is er een scène over een meneer Kotsenboer, die toneelles geeft. Ook hier wordt geprobeerd een scène van vroeger te reconstrueren en ook hier mislukt het. Er is al meningsverschil over de rolverdeling.
‘We zijn in de verkeerde zaal’, wordt meerder keren gezegd. En, ‘dit is toch niet de zaal die we ons hadden voorgesteld.’
Martijn ziet een vliegje die in het licht van schijnwerpers omhoog cirkelt. ‘De ziel’ mompelt iemand, maar al snel verandert Czeslaw het licht en het vliegte verdwijnt in het donker.
Als later Maureen aan de monoloog van Proust, en het geluksgevoel beschrijft van het hervinden van de verloren tijd, dan ervaar ik dat niet zoals de vorige keer als iets bevrijdends, maar als iets dat deze acteurs in tegenstelling tot Proust niet is vergund.
Waarom maken ze het zich zelf en elkaar zo moeilijk, vroeg ik mij soms af. Vele malen werd er verwezen naar afspraken, afspraken die gemaakt waren, of die misschien wel ter plekke bedacht werden, dat weet ik niet. Als Margijn de regel voorleest ‘nooit met meer dan drie op het toneel’ gaan meteen een aantal acteurs af. Als iemand zegt ‘ik denk dat het zo goed is’ wordt de scène afgekapt. Maar vaak is er ook ongeduld en irritatie.
Ik moet aan een uitspraak denken, ik weet even niet meer van wie: “een dialoog is een poging van twee monologen om samen te leven.” Hier geldt datzelfde maar dan voor elf mensen. Duidelijk is dat het maakproces onderdeel van de voorstelling vormt. Op de eerste avond hoorde ik een aantal keren zeggen dat het positief moest zijn, maar nu leek dat uitgangspunt verlaten. Het schuurt en wringt, soms had ik het gevoel naar een  huishouden te kijken waar de mensen hun eigen afspraken niet meer begrepen. Verdwaald als Hans en Grietje (die ook werden aangekondigd, maar niet gespeeld).
Komisch rustpunt is in zulke situaties Matthias. Dit soort strubbelingen gaan aan hem voorbij. Onaangedaan besluit hij even een pauze te nemen.
De Modernen was vanavond een voorstelling over acteurs die verdwaald waren in het bos van hun verbeelding en hun herinnering. Er was een uitgang, maar ze konden hem niet vinden, de broodkruimels waren verdwenen.