Er is altijd wel iets dat je ...
Flarden. ‘Kunnen ze erin?’ ‘Wir haben eine neue Apfelstrudel.’ ‘Waar is Annie?' ‘Hé, het decor van gisteren staat er nog.’ ‘Het is een tragedie, hè.’ ‘Ja, gaat die zaal nog open of niet?’ ‘Wij zijn al begonnen!’ ‘God Kouwenhoven waar was je weer?’ ‘Heeft iedereen z’n spullen al?’ ‘In het midden, twee hup!’ ‘Zaal open!’ ‘Ughe ughe ugh!’
- Ik zie, ik zie een vlot. We zitten op een vlot. Dat kan niet anders. Ja het moet een vlot zijn. Een vlot van eikenhout of een ander soort hout. Hoog is de hemel. Er is water. Dat is de zee. Er is een storm.
- Of er is een storm geweest. Want het begint altijd voor het begint. Met gefluit en krakende planken. Maar waarom zeggen ze zo weinig? En waarom lopen ze zoveel? Van hot naar her, als mensergerjenietpoppetjes in een spel dat ze niet begrijpen?
- Heb jij wel eens uren dagen weken maanden op een vlot rondgedobberd en ben je nooit meer opgepikt zodat je vervolgens op beestachtige wijze bent gekrepeerd?
- Niet dat ik het me herinner.
- Nou dan.
- Of misschien toch, één keer.
- Ze zitten op een vlot, de elf laatsten der toneelspelers, elf buitenstaanders, elf onbekende onverwachte gasten. Je ziet dat ze vaak stilstaan. Dan poseren ze voor de schilder. Ik kan er uren naar kijken, alsof het de soundtrack van een Finse film is waar ik geen woord van versta. Of zebra’s in de zoo.
- Ja, ik weet het weer. Ik ben toen als een van de eersten overboord gekieperd de dieperik in, maar ik bleef het vlot maar volgen. Jij was er trouwens ook bij. Jij ging vlak na mij dood.
- Langzaam worden ze snel gek. Hallucineren. Reageren niet meer op elkaar. Laten elkaar de ruimte om niets te doen. Als gewonde ijsberen.
- Veranderen in de Nachtwacht maar dan door Velazquez geschilderd.
- Zitten allemaal in hetzelfde verkeerde schuitje. Daar. De
laatste appel. Het laatste glaasje zoet water. De laatste spekkoek. De laatste doos kroepoek. De laatste venkelsoep.
- Ladders worden masten, het regent stoelen uit de hemel. Je ziet de achterkant en de voorkant tegelijk. De een na de ander verdwijnt uit het oogwit. Waar ís iedereen?
- En dan is het schluss.
- Is het je trouwens opgevallen dat we voortdurend in Shakespeare zitten? Ja, je gaat toch denken ‘waar gaat het over’ op zo’n avond.
- Het gaat niet over.
- Je gaat toch puzzelen. Al is het maar met een enkel
puzzelstukje.
- Het is het vlot van de vlottende herinnering. Een varend museum, met het luciferdoosje van Picasso, het kruisje van Ank van der Moer en het poederdoosje van Pandora.
- Dus het is mijn theorie dat alle toneelstukken van Shakespeare erin voorkomen, maar zo goed verstopt dat niemand ze eruit haalt.
De storm uit De Storm, twee woorden uit Macbeth, het vliegenierskostuum van Julius Caesar, een zekere Rosalinde, een kiezel Hamlet en de walvis enzovoort.
- Ze lopen met elkaars herinneringen rond, de elf, en weten niet meer wat van wie is, of het echt is of niet. Cryptomnesie. Zeer des
acteurs. Want het lijken mensen, maar het blijven acteurs, zoals de grote tekenmeester Aart Clerkx zegt. Ze hebben geen herinneringen maar herherinneringen, Zerinnerungen, verinneringen. Aan iets wat misschien niet eens ooit geweest is. En daarom zal dat schip dat ze gaat redden nooit een centimeter dichterbij komen.
- Er is geen einde, er is slechts verandering.
- Dat heb je mooi gezegd. Van jezelf? Shakespeare?
- Ik zou het niet meer weten.