De negende door Tjeerd Bischoff

Donderdag, verkiezingsavond. Dit is de vierde avond dat ik de voorstelling zie. Een aantal dingen die ik in eerder verslagen beschreven heb, laat ik nu achterwege.
Opnieuw de zwart geklede groep tegen de achterwand. Veel tegenlicht. Op de vloer grote schaduwen vanuit het grit. De sfeer van een stille zomerdag in een bos. Gemummel en gemurmel, iets wat klinkt als een stemoefening. Stilte.
Jorn steekt schuin over, handen in de zak, kijkt om zich heen. Wisselt een blik met Matthias. Tegelijk beginnen ze te lopen. Matthias maakt een ommetje rond de tribune die los van de wand staat.
Beiden voegen zich weer bij de rest. Gefluister, overleg.
Miranda en Annet maken zich los. Miranda schenkt een bakje vol water en blaast er zo hard in dat het water bijna over de rand gaat, Joris maakt zijn haar nat, Vincent neemt een slok water, Matthias wringt zich tussen twee planken in de zijwand, Miranda gaat op de grond liggen, Martijn ernaast. Collage van een schipbreuk.Jan Joris trekt zijn jasje uit. Hij struikelt, trekt Jorn over zich heen. Vincent gooit spijkers in een bakje. Jorn legt jassen over Martijn die nog steeds op de grond ligt, anderen volgen zijn voorbeeld.
Er wordt lange tijd niet gesproken, er wordt gevallen, er wordt een appel gegeten.
Opvallend hoeveel de sfeer per avond verschilt. Door het woordeloze, langzame begin lijken de humeuren en temperamenten van de spelers en ook die van het publiek zich te mengen en te verdichten tot iets dat bijna tastbaar is. Vanavond is het verstild, bijna loom.
Annet en Margijn beginnen te praten, ze hebben het over kabbalistische berekeningen en een acrostichon (vers waarin de beginletters van opeenvolgende regels een woord of zin vormen) in de eerste folio (eerste verzamelde uitgave van Shakespeare). Het acrostichon luidt: confidence sans bound. "Tot hier" zegt Jan Joris en iedereen gaat af, behalve Maureen en Anouk. Een kookwekker gaat, en ook zij rennen af. “Nee” zegt Joris. Een kleine woordenwisseling, of je ‘nee’ mag zeggen. ‘Ja’ mag wel, maar als je ‘ja’ zegt, wordt er ook gestopt. Is nee eigenlijk ook ja? ‘De grens is altijd onduidelijk’ wordt gezegd.
Deze avond, nu er weinig gesproken wordt, valt me des te sterker op hoe lastig het is wat deze groep aan het doen is. Niet alleen ligt er heel weinig vast en wordt er per avond geïmproviseerd, de elf acteurs stellen zich tegelijk op als regisseur van elkaar. Dat gebeurt met minimale woorden, ‘ja’, ‘nee’, tot hier’. Of iemand roept ‘Czes’ (Czeslaw) en er komt een licht-verandering. Ook zie je blikwisselingen, hoor je gefluister, waardoor je vermoedt dat er iets bekokstoofd wordt. Soms worden er regels genoemd, of ter discussie gesteld: ‘als iemand zegt “tot hier” en je denkt zelf “nog iets verder”, wat dan’. Want ook de regels die er wèl zijn, zijn vloeibaar. Welke impulsen kun je volgen en welke moet je onderdrukken, wat laat je toe van een ander, wat niet. Ik weet niet wat de afspraken hierover zijn, maar ik krijg steeds meer bewondering voor hoe ze dit doen. Het prettig egoloze ervan, het vertrouwen in elkaar, het vermogen om aandacht en focus te geven, zich af te laten breken, voort te borduren op waar een ander de aanzet toe gaf, de eigen kleur die iedereen aanneemt als muziekinstrumenten in een orkest.
Sommigen nemen vanuit hun karakter en energie het voortouw, proberen een bepaalde stuwing te geven, anderen opereren meer vanaf de zijlijn, of lijken bewust de schaduw op te zoeken.
Twee avonden zie ik hoe Anouk vanuit de luwte de avond ineens een andere energie geeft. Vanavond gebeurt dat op het moment dat Anouk op romantische, sprookjesachtige muziek iedereen uitnodigt om haar bewegingen na te doen. Een kring vormt zich om haar heen. Er wordt gedanst, Anouk rent naar de pickup en verzet de naald. Er wordt ‘pas op, pas op’ geroepen en iedereen rent af, behalve Anouk. Het gezicht van Annet steekt surrealistisch tussen twee planken door. Is dit een kinderfeestje? Is dit Hans en Grietje waar ik ze in eerder avonden over hoorde? Martijn doet de muziek, hij zoekt de nummers uit, bewerkt ze en kiest de momenten waarop ze gespeeld worden. Vaak staat de muziek haaks op dat wat er is.
Onverhoeds klinkt een kitscherig Italiaans lied. Na een korte dans van Matthias en hemzelf, laat hij de muziek even plotseling weer verdwijnen. Verder houdt Martijn zich meestal rustig. Af en toe steekt hij schuin het toneel over. Met zijn stropdas en zijn ingehouden verwilderde blik, doet hij mij dan denken aan een filmacteur die op de verkeerde set is beland.
Jorn spreekt over een voorgevoel dat hij niet onder woorden kan brengen, maar wat volgens Jan-Joris toch moet kunnen, omdat er geen regels voor zijn. Matthias vraagt of de anderen wel weten waar het publiek zit. Zelf is hij er vervolgens ook niet meer zeker van. Martijn weet niet of hij te vroeg of te laat is, en ook niet meer waar ze waren.
Vincent heeft het over zijn eerste toneelherinnering: zijn vader die hem leerde stropdassen te knopen en hij verbindt dat met As you like it, maar ik kan het niet volgen.
Jan Joris en Vincent proberen houdingen uit, Matthias slijpt een mes. Jan Joris brengt iets op waarvan ik nu weet dat het een proeftoneeltje is (een minitoneel waarop je dingen uit kunt proberen). Verschillende lichtwisselingen. Jawel, de wereld is een toneel. Er wordt gevraagd waar iedereen is, alsof er een repetitie of een voorstelling gaat beginnen, er wordt gezegd dat Matthias op de plek van de entertainer staat en of hij dan wel een grap wil vertellen. Wat hij doet, zacht en onverstaanbaar, en dat is dan toch grappig.
Iemand vraagt zich af, of zijn droom eigenlijk wel zijn droom is, iemand vraagt of we in de goede zaal zijn, iemand komt op met bakkebaarden en vraagt van wie die zijn. Desoriëntatie, de wereld van de droom en de halfvergane herinnering. Stoelen komen uit het grid, Jan Joris en Vincent gaan erop zitten en spelen een scène uit As you like it (?), waarin mannen vrouwen spelen die zich verkleed hebben als mannen. Vincent souffleert, Joris weet het niet meer.
Miranda zoekt een zin, waarvan ze nog maar twee woorden weet in het Italiaans, iets dat we met z’n allen insecten zijn in een schilderij.
Er wordt met hamers gesmeten, Maureen knoopt een grote hoeveelheid stropdassen om. Er wordt over Tsjechov gesproken die overal het begin en het einde afhaalde. Misschien omdat daar teveel ambitie in zat.
Er wordt gedanst, er wordt gezegd dat we op deze manier nooit van het vlot afkomen, er wordt een doek op de grond gespijkerd en meteen weer losgetrokken en opgeborgen en of dat dan goed was en of dat dan zin had.
De sketch tussen Vincent, Jorn en Matthias begint deze avond met een valpartij en eindigt in verstilling, zonder clou.
Margijn leest een lijst voor, plaatsen, scène-ideeën, trefwoorden. Jan-Joris kijkt toe met dwingende aandacht.
Iedereen gaat af, behalve Maureen. Tafels worden opgedragen. Maureen begint aan haar Proust-monoloog. Ze breekt af, begint opnieuw. Zij en de mensen achter haar die de tafel willen dekken, staan in een toverachtig licht. Een oude foto wordt tot leven gewekt. Zinnen over het terugvinden van de verloren tijd en tegelijk over de destructieve werking van de tijd “… en zo begon ik aan mijn kunstwerk aan de vooravond van mijn einde zonder iets van mijn kunst te weten.“
Vanavond kijk ik naar een koorddansact zonder koord. Achter haar verzamelen de anderen zich, gekleed in lange zwarte jassen en met zwarte hoeden op, een beeld van lang geleden.
Daarna krijgt het publiek venkelsoep, goed voor het geheugen, zegt Matthias.