De acteurs zitten achterin de zaal, met de rug naar het publiek. Het is net als de eerste keer en ik ben blij, want ik vind het beeld mooi en treffend, ik weet niet waarom. De linkerwand baadt in het licht, de suggestie van enorme hoogte/diepte. Er klinkt geroezemoes, het geroezemoes dat normaal op de tribune plaatsvindt, maar ditmaal komt het van de spelers, wij zijn muisstil.
Iemand maakt zich los van de groep en komt naar voren, kijkt heen en weer. Een ander volgt, maakt zijn haar nat in een teil. Iemand schrijft met een krijtje een lijst op de wand, terwijl hij ondertussen een andere kant op kijkt. Een actrice gooit een flesje water in een tinnen bakje, blaast erin en gaat op haar rug liggen.
Opnieuw zijn er verwijzingen naar zee en de Storm, maar dit maal zonder tekst. Alles is van een vreemde poëzie. Een hond blaft, iedereen luistert. Iemand bijt in een appel, het licht wisselt. Nu baadt de rechterwand in een zee van licht. Het is prachtig. Ook op eerdere avonden was deze voorstelling mooi van beeld, maar het is alsof het nu voor het eerst is toegestaan. Er is het soort adem en aandacht, waardoor alles als vanzelf iets wordt.
‘Wat ben je veranderd’ klinkt de eerste tekst. ‘Tegen wie heb je het’ ‘Tegen wie je maar wilt’. Iemand vertelt dat hij wakker werd als een leeg wit vel. Iemand stelt dat er iets is dat wakker wordt, maar dat er iets anders is dat dan nog slaapt. Je weet nooit precies wie er wakker is. Associaties met die mooie zin uit de Storm: Such is the stuff that dreams are made of, and our little lives are surrounded by a sleep. Er wordt gesproken over verschillende soorten bewustzijn, niet gebonden aan taal. De titel van een boek wordt aangehaald: “Was Shakespeare ook filosoof?” De suggestie ontstaat dat we in iemands hoofd zijn beland. Er wordt gesproken, er wordt bewogen ten opzichte van elkaar, maar alle acteurs zijn onderdeel van dezelfde geest. De wanden lijken te verwijzen naar diepte, ik ben in het ondergrondse beland.
Iemand spreekt over touwladders die in een doos zitten waarop ‘touwladders’ staat. ‘Weet je ook wat je ermee wilt’ ‘We zetten de doos op het toneel.’ Wat vervolgens niet gebeurt. Wel wordt er later een doos met stropdassen op het toneel gezet, maar daar staat op ‘Kroepoek, 3 lange plakken. Opnieuw wordt geblaft. Er blijkt een deur in de wand te zitten die open kan. Matthias verschijnt met een zwarte hoed op. Ik begrijp het niet, maar het klopt.
De vraag wordt geopperd of het realiseerbaar is de voorkant en de achterkant van een dialoog tegelijkertijd te spelen. Als het denkbaar is, bestaat het, maar is het te spelen. Er wordt gesproken over een Shakespeare-scene , na een schipbreuk (hoeveel stukken van Shakespeare beginnen eigenlijk met een schipbreuk?), waarbij een vrouw, gespeeld door een man, maar die vrouw speelt dat ze een man is, de geliefde van een ander wil spelen om die ander van zijn verliefdheid af te helpen. En of dat mogelijk is om dat te spelen. Er zijn veel verwijzingen naar het willen spelen van iets wat niet kan, iets doen wat je nog nooit gedaan hebt. Schrikbarend is hoeveel in deze voorstelling wordt weggelaten. Er zijn geen personages, er is geen verhaal, er zijn geen affe scenes, er zijn geen gespeelde emoties, er zijn geen beginnen en geen eindes (die moet je net als Tsjechov weglaten). Er zijn zelfs geen afspraken over wie wat wanneer. Er zijn bewegingen, er zijn woorden. Er is een thema met vertakkingen, 11 mensen op zoek naar een kunstvorm die ter plekke moet worden uitgevonden, een spagaat tussen vroeger en nu. ‘Wij zijn allen Shakespeare’. Drie figuren in een jurk die in een langzame werveling om elkaar heen draaien. Verstillingen , versnellingen. Er wordt koffie aangeboden met een leeg blad, er wordt geluisterd naar iets wat er niet is, ‘een gebroken snaar?’, er wordt ingewikkelde getalssymboliek op Shakespeare losgelaten, misschien om te bepalen wie de echte schrijver is, maar het blijft duister. Een doek wordt omgekeerd vastgespijkerd.
Plotseling breekt er een ruzie uit. ‘Niet duwen, ik heb m’n bek vol spijkers, lul’. Fijne zin. Ook dit is een eruptie die onstaat in het nu en van nergens naar nergens gaat. Er wordt met hamers gesmeten, Jan-Joris spreekt de angst uit dat dit symbolisch kan worden opgevat, maar Jorn vindt het wel lijken op ‘ons spel van
vernietiging.’ Er lijkt sprake van woede, maar wie is er nou kwaad op wie. Plotseling barst Anouk uit, maant iedereen aan te gaan lopen, te gaan bewegen. Koortsachtige activiteit.
Er wordt een dansje gedaan. Er wordt een pauze gehouden, met wijn en met een heel klein doekje waar je aan alle kanten langs kan kijken, daarna wordt er nog heel veel gedaan en vooral heel veel niet gedaan. “We zijn uit de poppenkast gevallen” zegt Annet. Er wordt een lijst voorgelezen van ideeën en plannen, een lijst waar deze voorstelling waarschijnlijk ooit mee begonnen is. Maureen begint zachtjes daar doorheen haar monoloog van Proust over het hervinden van de verloren tijd en over het enige milieu waarin dit kan gebeuren, het extratemporele milieu van de ziel. Ondertussen verschijnen er lange tafels waarop soep wordt geserveerd. Vervolgens staan de acteurs vlak om haar heen, een groep waaruit voor even één stem opklinkt.
Na afloop zegt Vincent dat hij mijn besprekingen mooi vindt, behalve de conclusie van een paar regels aan het eind. Ik begrijp dat. Het gevoel dat iemand je vast wil nagelen, terwijl het gaat over weglaten, over het ongrijpbare, over wind die van nergens naar nergens waait en de schoonheid die dat soms oplevert.