Voor het begin, als de acteurs zich verzamelen tegen de achterwand, is er een opgewekte bedrijvigheid. Er is gepraat en gelach, ook bij het publiek dat binnenkomt. Voor het eerst passen niet alle mensen op de tribune en zitten er ook mensen op het balkon.
Een stilte daalt in. Matthias komt als eerste naar voren plakt een stuk kauwgom op de zijwand.
Al snel volgen anderen. Miranda vult een glas met water en begint daarin te blazen, maar Annet en Jorn vinden het niet goed. Ze pakken haar het glas af. Ze geven het aan Matthias die het opdrinkt.
Van twee kanten wordt Miranda een tinnen bakje aangeboden, Jorn wil haar een strooien hoed aanbieden, maar blijft twijfelend staan.
Miranda vult het bakje met water, blaast erin en rolt op haar rug. De anderen verdwijnen weer naar achteren en overleggen zachtjes. Er staat een oud strijkijzer op het toneel.
Matthias probeert zich vergeefs tussen twee houten wanden te wringen, Margijn begint zich om te kleden, Jan Joris trekt zorgvuldig en langzaam Miranda een jurk aan, Matthias loopt over met één blote arm en een jasje dat half aan is. Een hand verschijnt tussen de houten wanden en schrijft op de vloer. Jorn struikelt over de rand van de houten vloer en valt met een harde klap.
Matthias begint met een krijtje op de wand te schrijven, hij wil weten wat het toetje was. Vincent komt op met zwarte dingen op zijn ogen. Er is veel activiteit. Ik kom ogen te kort.
Annet zoekt aan rand van de houten vloer naar een wormgat, dat daar gisteren ook zat. Volgens Vincent zitten die niet altijd op dezelfde plek. Ze bedoelen neem ik aan natuurkundige wormgaten, afsnijroutes tussen verschillende tijden die de Relativiteitstheorie voorspelt. Als Annet even later een spons in haar handen heeft, ziet ze toch wel weer veel mogelijkheden. Er wordt gelachen. Het is een lachgraag publiek, en er is veel sprankeling in de lucht
Vincent vertelt dat hij die nacht gedroomd heeft dat hij zijn hoofd stootte tegen het plafond van het theater. Annet beschrijft een soort omgekeerde evolutie: als iemand zijn vader zoekt en die zoekt weer zijn vader en die ook weer enzovoort, dat je dan vanzelf bij het plankton belandt.
Mattthias, meester van lege momenten, vraagt nog eens of er iemand koffie wil. ‘Tot hier’ zegt iemand en iedereen verlaat het toneel en neemt nieuwe posities in.
Opnieuw is er een werveling van onafgemaakte activiteiten, inzetten die worden afgebroken, vragen die onbeantwoord blijven. We zitten in een hoge versnelling, op een geconcentreerde manier wordt erop los gespeeld. Jan Joris zit op zijn knieeën met zijn hoofd op vloer. Als Matthias er aarzelend bij komt hurken, is Jan Joris al weer weg, en hoe komt Matthias nu weer omhoog.
Vincent klaagt over zijn lege emmertje, Joris blijkt het altijd leeg te gooien, Vincent vindt dat er nu te weinig inzit, Joris wil weten waar hij het voor nodig heeft, dat weet Vincent, maar hij vindt dat het zijn emmertje is.
Miranda vraagt ‘ben jij dat? ‘ ‘Dat zou kunnen’ wordt er geantwoord.
Jan Joris begint over herkenbaarheid en hoe je dat voor elkaar krijgt omdat iets toch is wat het is. Er wordt heel hard ‘wafwaf’ gezegd. Jorn zegt dat ieder begin een leugen is. Er wordt gepraat over Tsjechov die overal het begin en einde afhaalde. ‘Als je maar lang genoeg doorgaat, hou je geen Tsjechov meer over’ zegt Jorn. Matthias wijst de anderen erop dat er ook publiek op het balkon zit en of ze daar rekening mee kunnen houden. Jorn scheld hem uit voor ’Pipo’, Matthias vindt dat hij ‘meneer Pipo’ moet zeggen.
Er wordt gedanst, Jan Joris kijkt getergd naar een bult kleren achter op het toneel. Als hij later bukt om ze op te rapen, lijkt het alsof deze beweging Jorn in rug schiet. Identiteit is een vluchtige zaak.
In het halfdonker vraagt iemand of ze in de goede zaal zijn, iemand vraagt of dit de goede vraag is. Iedereen moet het toch kunnen volgen. Maar wat dan? Wat moeten ze dan kunnen volgen, roept Annet kwaad.
‘Alles wat je in je ooghoeken ziet, zie je niet echt, dat verzin je’, zegt Vincent.
Kokend hete eieren worden doorgegeven, maar Matthias voelt niets.
Jan Joris begint over Ibsen die de tragedie naar de huiskamer verplaatste en aantoonde dat je altijd een Antigone in huis hebt.
Zijn we al aan de huiskamer voorbij, vraagt iemand. Waar waren we… Moet ik hiermee doorgaan.
Vanavond is het jazz. Het springt en het tintelt. Dingen worden veelvuldig afgebroken en later weer teruggepakt. Alsof het een samenvatting is van alle avonden, alsof alles nog één keer in deze avond gebeuren moet. Gretigheid.
Anouk strooit papiersnippers op de grond. Jan Joris probeert een rok aan te krijgen, hij speelt de rol nu al dertig jaar, maar weet nog steeds niet hoe het moet met die rok. De scène uit ‘As you like it’ tussen Vincent en Joris wordt ingezet. “We spelen dat we toneelspelers zijn die meisjes spelen.. “, maar als Annet zich ermee bemoeit, ontstaat een korte knetterende ruzie. Annet zoekt opnieuw naar het wormgat. Margijn raapt de papiersnippers, die in mijn hoofd in broodkruimels zijn veranderd.
Maureen laat nu een spoor van zwarte jassen achter die zij één voor één uittrekt en op de grond laat vallen.
Jan Joris vraagt zich af of dit een komedie is.
Ik moet denken aan de eerste avond toen ik keek naar een zoektocht tegen de klippen op, toen regelmatig het woord ‘wanhoop’ viel. Nu, met dezelfde ingrediënten heeft het inderdaad meer weg van een komedie. Een luchtig spel van mensen die genieten van hun vreemde bestaan op dit toneel, waar je via onzichtbare wormgaten kunt verdwalen in je eigen en andermans verleden, waar de cultuurgeschiedenis door de versnipperaar is gehaald en hier als strooigoed tevoorschijn komt, waar niemand de last van een blijvende identiteit hoeft te dragen, waar niets hoeft te worden afgemaakt en niemand zich aan zijn afspraken houdt.
Vincent laat een hoed vol appels vallen. “Je weet tch dat alles symbolisch is op het toneel” roep Annet. Jorn begin hamers op het toneel te flikkeren. Czeslaw en Anouk pellen een eitje. Wat is voor, wat is achter. Maureen trekt een geel jasje aan. Jorn valt weer. Er wordt druk door elkaar gepraat. ‘We zouden toch niet door elkaar praten? “zegt Miranda. Waarop iedereen nog harder door elkaar praat. “We hadden twee afspraken… “ probeert Miranda, maar dat wordt glashard ontkend.
Een geestige bijna-chaos. “Iets uitvinden is volgens Kafka niet zo moeilijk” zegt Annet, iets vinden wel. “ Vanavond wordt er veel gevonden.
Martijn kraakt zijn hersens. “Als je iets nalaat doe je iets niet, maar je geeft toch iets door.”
Dan wordt er pauze gehouden. De drukte gaat onverminderd door. Het doek wordt op de grond gespijkerd. Czeslaw legt knopen in een touw. Miranda vraagt welke rol Jan Joris vanavond wil: Prospero, Hamlet, Lear. Maar hij is de tekst vergeten. Vincent en Margijn spiegelen elkaars bewegingen. Er klinkt een opera, of is het een operette? Annet staat op een krukje met een jurk aan, waardoor ze heel lang lijkt. Joris tilt haar eraf en loopt met haar rond. Er wordt bezems opgedragen en afgedragen. We zijn op het toneel, maar ook achter het toneel, met alle bewegingen en schijnbewegingen waar toneelspelers zich aan overgeven.
De sketch over William Tell, met het erbarmelijk uitgesproken Engels, vindt voor een groot deel in het donker plaats. In de scène over priemgetallen en kabbalistische getalssymboliek wordt op een onnavolgbare manier verwijzingen uit de eerste folio vastgeknoopt aan de geboortedatum van Cas Enklaar.
Jan Joris begint een verhaal over Apenheul, stopt en loopt kwaad weg. Mensen lopen met gevonden attributen rond, een papieren baard, wie past hem. Joris vertel dat bonobo’s gewoon mensen zijn, ze twijfelen. Jorn vraagt of bonobo’s ook toneelspelen. Jan Joris is daar heel zeker van, waarschijnlijk in een heel klein schouwburgje. Misschien heeft Vincent daar wel van gedroomd.
Alles klopt vanavond.
Er wordt gewezen op de houten vloer: “achter” staat met blauwe letters op de rand van de houten planken. Op oude vloeren kun je nog zien wat er was, sporen van oude voorstellingen.
Margijn begint aan haar lijst.
Iemand vraagt zich af de hoeveelste voorstelling het is. Jan Joris bespreekt alvast hoe straks de houten wanden weer de vrachtwagen in moeten. Tafels worden opgedragen, Joris klimt erop en draait rond met een stoffig kleed. Vincent dweilt de tafels schoon. Margijn kleedt Maureen aan en geeft haar een glaasje water. De borden worden gedekt, de soep ingeschept en Maureen begint aan haar Proust-monoloog. Een extra lamp wordt door de andere acteurs neergezet en dan toch maar weer weggehaald. Vincent komt op als een lichtman uit vervlogen eeuwen. Hij maakt omslachtig zijn excuses aan de voorname acteur die nu aan het woord is. Maureen aanvaardt de excuses van meneer van den Berg gaat door met de verwoording van het begin van haar zoektocht naar de verloren tijd. Zorgvuldig en precies.
“De tijd was voorbijgegaan voor deze lieden”, zegt Maureen en ik kijk naar de acteurs, inmiddels in lange zwarte jassen en met vreemde zwarte hoeden.
En hoewel ik opnieuw door de monoloog geraakt wordt en er even een weemoedig moment is, was dit niet een avond van vergeefsheid, van ronddolen in een tijd die voorbij is en streven naar iets dat niet kan. Het was juist vederlicht, het was een loflied op de vluchtigheid en onbestendigheid die inherent is aan het toneel en inherent aan het leven. De tijd huppelde en slingerde en trok zich nergens wat van aan. Gaven de afspraken waarnaar verwezen werd eerder wel eens het gevoel van een dwingende constructie, zoals de latjes in een stoel van Mondriaan, nu werd er onbekommerd over de lijst geschilderd, omdat er simpelweg teveel was.
Aan het einde van de monoloog als iedereen naar achteren loopt, blijft Jan Joris staan. Hij vraagt hoe de anderen nou weten dat het afgelopen is, misschien komt er nog wel een monoloog. Maar nee, onherroepelijk begint Matthias over de soep, een compromisvolle soep van mosterd en venkel, toneelspelerssoep die goed is voor ons geheugen. En dan is het voorbij.