De Groene Amsterdammer, februari 2002 - Loek Zonneveld
Van de acht voorstellingen uit Oost-Europa die in februari ons land aandeden, in het kader van het project Paradise Lost, zag ik er drie, en daarvan maakte Richard III de meeste indruk. Door de gebroken spiegel van Shakespeares vertelling kijken regisseur Rimas Tuminas en zijn ensemble naar de opkomst en ondergang van een tiran, wiens grootste kwaliteit ligt in het acteren: 'I can smile and murder while I smile.' De hele voorstelling lijkt te zijn opgebouwd vanuit de beruchte tweede scène van het stuk, hier gespeeld als brutale aanranding van Lady Anne op (en in) de doodskist van een vermoorde geliefde. In die scène ontdekt Richard van Gloucester zijn onvermoede acteerkwaliteiten. De kleinburger Richard zal van die kwaliteiten optimaal gebruik maken, uit de droom van de amateur-acteur wordt de nachtmerrie van de gruwelvorst geboren, de tiran kijkt terug op zijn eigen historie als een acteur die een rol 'terugdenkt' Tuminas verandert de volgorde van scènes, laat veel weg (of liever: zoekt beelden voor teksten), en creëert op een kale speelvloer, te midden van reusachtige spiegels en een hangend paardenzadel, een filmische mise en scène, met scherp en ironisch spelende acteurs. Mag 'ie terug volgend seizoen, deze Richard III, zo mogelijk naast de versie van dit stuk die Theu Boermans bij de Theatercompagnie gaat regisseren (met Fedja van Huêt in de titelrol)?
In de Utrechtse Schouwburg, waar ik deze Litouwse Shakespeare zag, werd een wodkacafé (Sans Souci, 'zonder zorg') gerund door de toneelspelers van 't Barre Land. Zij slaan met hun oeuvre al jarenlang een brug naar het wilde Oosten: hun versie van Tsjechovs Langs de grote weg (met muziek en veel wodka) hield jarenlang (ook internationaal) repertoire en wordt binnenkort voor de VPRO-televisie opgenomen. Platonov was een paar jaar terug een terecht bejubelde hommage aan Tsjechovs eersteling. En nu hebben ze zich een half jaar lang gestort op de grootmeester van de Russische roman in de negentiende eeuw, Fjodor Michajlovitsj Dostojevski (1821-1881). De titel van het project 2x2=5, met als ondertitel Dostojevski en meer. Op dit moment zijn vier onderdelen gereed: drie voor het toneel bewerkte Dostojevski teksten (Aantekeningen uit het ondergrondse, Witte nachten en De zachtmoedige), aangevuld met het 'meer', een farce van Michail Boelgakov uit de jaren twintig van de vorige eeuw, Hondehart. In april en mei wordt het project voorlopig compleet gemaakt met een toneelbewerking van Dostojevski's Misdaad en straf.
Kroonstuk van het project is een adaptatie van Dostojevski's wreedste boek: Aantekeningen uit het ondergrondse (1864), hier als monoloog gespeeld door Vincent van den Berg. De wereld van deze monologiserende idioot is uit elkaar gevallen. De vloer bestaat uit houten schrootjes die met touw bij elkaar worden gehouden, alles bij elkaar een wankel speelvlak, waarop het lastig balanceren is. Op de wanden die het speelvlak omsluiten zien we patronen van felgekleurde rechthoeken. Er is veel licht van opzij, weerkaatst in witte panelen die nog het meest weghebben van de schermen van een portretfotograaf. Het begrip 'vormgeving' (ontwerp: Michiel Johannes Jansen) kan hier letterlijk worden genomen: er is een weldoordachte vorm gezocht voor een omgeving waar een acteur zijn gang kan gaan. Overal staan glaasjes water. De toneelspeler drinkt daar regelmatig uit, verplaatst ook een zware spoorbiels, waaraan hij fysiek steun zoekt – met die handelingen markeert de toneelspeler de pauzes tussen de 'hoofdstukjes' uit zijn monoloog. Het lijf en de ontbindende geest van het personage (heeft hij eigenlijk een naam?) worden bij elkaar gehouden door een ritselend kostuum - het is van papier, het scheurt en kraakt. De vorm accentueert de stemming van de spreker: hij is zijn houvast kwijt. De tekst lijkt die vorm weer te weerspreken. Deze ex-ambtenaar, in zijn ondergrondse muizenhol, is op een rampzalige manier hyperintelligent.
Aantekeningen uit het ondergrondse lijkt het als theatrale taal architectuur op een grafisch kunstwerk van M.C. Escher: er is niet meer precies te zien waar het ene patroon ophoudt en waar het andere begint. De sprekende figuur is op een ziekelijke manier verslaafd aan het analyseren van zijn eigen waanzin. Hij is jaloers, fanatiek jaloers op de mensen die 'boven' leven. Maar hun ogenschijnlijk geluk vindt hij uiteindelijk dom. Omdat het een geluk is dat beantwoordt aan de quasi logische regelmaat vervat in de formule 2x2=4. Hij noemt die formule 'het mechanische toetsenbord waarop de toetsen door de natuurwetten worden aangeslagen'. Zijn holenmens uit het ondergrondse acht die zekerheid een ontkenning van de vrije wil, dat kan het laatste woord over de lotsbestemming van het individu niet zijn. Er moet zoiets bestaan als 2x2=5. De mens is immers een tegenstrijdig wezen, hij is niet recht door zee, wars van idealisme, grillig, complex en bovenal: onbetrouwbaar, zeer onbetrouwbaar. Vincent van den Berg verdwaalt in de architectuur van Dostojevski's dromen, anekdotes, verhalen, en hij doet dat geconcentreerd, beheerst, af en toe geholpen door zijn tekstcoach en souffleur (nee, dat is het woord niet, ze is eerder een gesprekspartner) Margijn Bosch. De acteur speelt dat hij speelt dat hij speelt, deze monoloog lijkt ook te gaan over de kwadratuur van het paradoxale bestaan van de toneelspeler. Hij betrapt zichzelf (en ons) op details ('Waarom spreek ik u eigenlijk voortdurend aan met mijne heren?')
Czeslaw de Wijs, lid van 't Barre Land ('theatergezelschap met een collectieve inslag') gaf de hele Dostojevski-onderneming in een interview bijna en passant een motto mee: 'Soms is het makkelijker iets over het heden te zeggen door er vanuit het verleden naar te kijken.' De solistische zelf-analyticus uit Aantekeningen uit het ondergrondse wil geen massamens à la 2x2=4 worden, in het schrikbeeld van een collectieve samenleving van intens gelukkige wereldverbeteraars-zonder-wereld wenst hij niet te leven. Hij denkt volgens een adagium dat later, veel later ná Dostojevski werd verwoord als: 'Wie wil dat de wereld blijft zoals ze is, wil niet dat ze blijft.'
De monoloog gaat naadloos over in de hilarische ironie van Boelgakovs Hondehart. De tweede avond opent met de stille poëtische kracht van Witte nachten, gevolgd door De zachtmoedige. Dat is ook een monoloog (Jacob Derwig) maar hier wordt uit een totaal ander vaatje getapt. Derwig demonstreert hier grandioos hoe je een melancholische herinnering aan een dierbare kunt demonteren en in het zicht van het publiek weer in elkaar kunt prutsen. Hier is een man aan het woord die zijn geliefde de dood in heeft gedreven, en te laat iets van zijn (hun) geschiedenis begint te begrijpen. De schuldbewuste reconstructie van een verloren werkelijkheid. 2x2=5 is een gretig, nergens pretentieus toneelproject. Dat de ambitie vertoont achterom én vooruit te kijken. Steeds in mateloze verwondering.