Op scène ligt een wiel aan de rechterkant, afgevallen van een speelgoedwagen, gestrand. Het publiek gaat zitten en ‘de Modernen’ opent op een rustig tempo. De spelers staan en zitten achterin met hun rug naar het publiek en het blijft een tijdje stil. Langzaam ontstaan de eerste impulsen, iemand kucht, er wordt gefluisterd, gezucht, iemand staat op, gaat weer zitten en na een tijdje het eerste woord. Jan Joris zit in het midden en leest een fragment uit de krant, het gaat over subliminale gewaarwording en het supraliminale zelf. Er zijn boodschappen die te subtiel zijn om bewust te worden waargenomen maar die invloed hebben op onze waarneming en beleving. Naast hem blaast Miranda in een glas water als een soort van storm en zet daarmee een lijn in over Shakespeare. Aan boodschappen die naar het subliminale neigen geen gebrek in de Modernen. Iemand klopt vanuit de coulissen op een hoedendoos, met een mes worden de bladzijden van een boek over theater geopend, er wordt iets gezegd over wanhoop, in de coulissen wordt een liedje gezongen, iemand met de handen in het haar, op een stoel staat een omgekeerde hoed met appels erin, een stoffig doek wordt neergeworpen en in het tegenlicht zien we een stofwolk naar het plafond stijgen. Het zijn details die je net wel of niet kunt waarnemen en waarvan je er zeker een groot deel mist. De gesprekken die tussen lange stiltes door worden gevoerd zijn flarden die weer worden afgebroken, die je net wel of niet kunt verstaan, plaatsen of begrijpen. Annette zegt iets over wanhoop maar laat het bij een aanzet.
‘De Modernen’ is een levend schilderij, dat realistisch lijkt te zijn omdat het uit mensen en objecten bestaat maar abstract is. Elke lijn die ingezet wordt, wordt afgebroken of begint naar zichzelf te verwijzen voor hij wordt voltooid. De voorstelling ontstaat ter plekke, alles is een poging die zich toestaat niet te slagen, die zich laat onderbreken of uitstellen naar een later moment. We zien denkende mensen, alert, geïrriteerd, vrolijk, wanhopig, die nog niet weten wat ze zo meteen zullen zijn, zullen zeggen of welke houding ze zullen vinden. De spelers trachten het probleem van het maken van de voorstelling, in het moment op te lossen. Het duurt eindeloos lang voordat ze daar hun draai in vinden en er zijn misverstanden en onheldere momenten te over maar ‘de Modernen’ nadert de grens van waar je ‘echt’ kunt zijn op toneel op een wonderlijke manier.
Jan Joris spreekt over een ontdekking uit de vorige eeuw dat de tragedie niet alleen in een ‘klassieke omgeving’ plaats kon hebben maar ook in de huiskamer. Het doet me denken dat de tragedie zich uiteindelijk zelfs op een toneel zou kunnen afspelen maar dan op een vrij toneel, met alles wat dat impliceert aan werkelijke mislukking, vreugde, frustratie en geluk. Jorn zegt dat in zijn huiskamer geen tragedies plaatshebben. Het gesprek vervolgt: ‘Waar speelt de tragedie zich dan af? In een paleis, of in je hoofd... Toch niet alleen in mijn hoofd?/Hoe laat je het zien? / Je laat het zien door het voor je te zien. / Dat neem je je voor... Maar je kunt toch niet de binnenkant en de buitenkant tegelijkertijd laten zien / Dat was moeilijk toen, ooit, dat de tragedie niet meer grootscheeps... maar dat ie desnoods in de huiskamer... ze konden er maar langzaam aan wennen, dat proces is waarschijnlijk nog steeds bezig.’ De formulering ontstaat vanuit verschillende stemmen, bouwt zich op en sterft weer af. We zien fragmentaire reacties op elkaar, met nu en dan momenten van helderheid zoals dat zich waarschijnlijk in de meeste individuele geesten afspeelt. Het is duidelijk geen vormexperiment, het is ‘nu’ en het is wat het is en soms is het ook even helemaal niks.
Na een lichtwisseling zijn we plotseling in een bos, iedereen is stil, er gebeurt niets en daar gaat dreiging van uit. Het is maar een kort moment maar het voelt als Dante, op het midden van zijn levenspad overvallen door wanhoop, twijfel en het gevoel alles verkeerd te hebben gedaan of niet het juiste te kunnen doen. Hierna wordt een citaat van Proust ingezet door Maureen. In dat citaat vertelt Proust dat hij overtuigd geraakt was van zijn eigen gebrek aan talent en met zekerheid wist dat het grote werk dat hij steeds uitstelde ongeschreven zou blijven. Op weg naar een feest van een van zijn vrienden wordt hij bijna aangereden door een automobiel (voorwaar een moderne gebeurtenis) en hierdoor overvalt hem een herinnering aan Venetië. De gewaarwording van twee overlappende momenten plaatst hem even buiten de tijd en doet zijn angst voor de dood verdwijnen, wat hem ertoe aanzet ‘La recherche’ te schrijven. Dit citaat wordt zorgvuldig opgebouwd en geeft een plotseling moment van helderheid ook al wordt het nog van alle kanten verstoord door het binnenbrengen van een lange tafel. We zien het ontstaan van een geniaal idee dat bijna honderd jaar nadat het werd opgeschreven opnieuw ontstaat, zichzelf toont en herhaalt: ‘Wat door de tijd heen hetzelfde blijft overstijgt de dood.’ Na zeven kwartier van pogingen, sommigen briljant, sommigen onafgemaakt anderen mislukt, overvalt het moment je in al zijn helderheid. Dat is een verademing die onlosmakelijk verbonden is met alles wat daarvoor gebeurde. Er is geen chaos, poging of mislukking mogelijk zonder het idee van de oplossing ervan en vice versa. Voor het danken lopen de spelers in groep naar achteren. Maureen draait zich nog even om en lacht triomfantelijk, het is voorbij.