'Voor mij de derde keer kijken' door Loek Zonneveld

de eerste keer wandelde ik nietsvermoedend de zaal in, later dan ik gewoon ben te doen, eerste rij is al bezet, dus omhoog de tribune op, en pas toen draaide ik me om. mijn god, de zaal was het eerste wat ik dacht. ik herkende het interieur van de roode zaal in de brakke grond niet meer terug. niet alleen de standaardtribune is weg (inclusief de rode kuipjes), maar het speelvlak is van aanzicht veranderd. twee hoge wanden uit eenvoudig hout, metershoog opgetrokken langs de beide balkons tot in de nok van het theater. een houten speelvloer die in drie verspringende segmenten naar ons toe is gebouwd. in de hoge houten wanden kieren, om op en af te kunnen naar de vleugels onder de eerste balkonlaag. mijn adem stokt in mijn keel: christus, wat mooi!  een ware metamorfose, die ook nu weer, na twee keer kijken binnenkomend op mijn derde avond, verbluffend werkt. ik ben er kort voor aanvang. matthias speelt niet mee vanavond, hij is naar het ziekenhuis, naar zijn vader. kort na half negen wandelt het publiek binnen. en ... we zijn vertrokken.

weinig beweging op het voortoneel en het middendeel van de speelvloer. de toneelspelers zijn vooral 'achter' in het begin. 'achter' ziet er vanuit mijn actuele positie heel anders uit dan vanaf de tribune: hoofdjes boven de rug van een bank uit, oude kinderen in een reuzenbadkuip. gemurmel, een zacht gemompel vanuit die 'kuip'. een toneelspeler maakt zijn haren nat. 'geen wet van meden en perzen' hoor ik, met het vage vraagteken erachter. enkele toneelspelers proberen een diagonaal van achter naar voor. inzet is een bakje. er belandt water in. vanuit een spons. en vanuit een fles. het bakje beland op het voortoneel. een toneelspeelster kiest liggend positie, maar voor ze iets kan doen - eerder zag ik haar blazen in het water, dat zich toen overigens in een glas bevond - is het bakje weggehaald. 'de oorsprong begint nooit in het midden'. een antwoord (van de liggende toneelspeelster, die aarzelend weer is opgestaan): 'we zouden het anders doen'. een ander: 'het moet even heel stil zijn'. van achter: 'het is hier slecht te verstaan'. de hoge, houten wanden worden met een nat doekje gereinigd van iets wat van afstand op een onleesbare schriftuur in krijt lijkt. iemand vraagt of er al iets te horen (of te zien) valt op de gang. een ander spreekt op een geruststellende toon teksten als 'hij komt zo wel' en 'het is niet erg', alsof er iets aan de hand is waarvan wij geen weet hebben, wat natuurlijk ook zo is.

ik merk dat ik he-le-maal niet gewend ben om te schrijven terwijl ik naar toneel kijk. ik doe dat ook nooit. vanavond wordt het van me verwacht, daarom zit ik hier. vlakkevloerser dan vlakkevloers, in de oerzaal voor wat later toneel met die aanduiding, die naam zou gaan heten. in de eerste tien á vijftien minuten heb ik last van dat schrijven. met een raar neveneffect: ik ben opeens alle namen van alle toneelspelers vergeten. jorn wordt björn, vincent wordt vic, annet wordt anja, miranda wordt mira, martijn wordt mark. na een kwartier is dat euvel over. althans: ik schud het van me af als een poedel die te water is geraakt en op het droge komt. mijn bewuste zijn - het voelt als er even 'uit' te zijn geweest - belandt dan midden in een conversatie over verzinnen en zien, bedenken en bedacht zijn, er wordt geschakeld naar een paar zinnen waarover janjoris vraagt: 'uit welk stuk is dit' - gemompeld antwoord: 'as you like it'. jorn: 'ik kan niet bepalen waar ik me nu bevindt'. janjoris: 'misschien ben je dan weg'.

er zijn dan al twee scherpe lichtwijzigingen geweest, misschien al vier, misschien al tien. de avond is al minimaal drie keer begonnen, mét iets begonnen, ín iets aangevangen - en even hard weer afgebroken. het bakje met water staat nu op een afgeleefde stoel. annie - vanaf de zijkant: 'daar kan shakespeare nog op gezeten hebben'. joris: 'wie?' miranda: 'er zit ergens een wormgat'. ze buigt zich over de stoel waarop een velletje papier ligt, staat op het punt daarvan iets te lezen, als joris het bakje water over haar hoofd leeggooit. ook een manier om storm te verbeelden. er valt met een enorme klap een soort van deur uit de houten wand op de vloer. als een antwoord wisselt het licht. stilte. lange stilte. iemand vraagt of we misschien even moeten ophouden. en oogst daarmee (als reactie?) een korte droge lach. 'zelfs zo'n lach is al teveel. terwijl het toch een echte lach was. maar ja, wie gelooft dat?'

martijn doet een heel eenvoudig en ook heel ingenieus, koket en ook nonchalant dansje in een diagonaal van (vanuit de kijker) links achter naar rechts voor en oogst de opmerking: 'ik geloof dat ik dat niet zou kunnen nadoen'. martijn: 'ik ook niet'. hij zal deze beweging in de loop van de avond nog minstens twee tot drie keer herhalen. in het volle licht en in het pikkeduister. opeens scheert iemand van achter naar voor langs de rechterwand naar voren met de woorden: 'waarom gaat u toch altijd in het zwart' waarna in een changement, gedeeltelijk hoorbaar en gedeeltelijk verdwijnend in het gedruis een mededeling wordt gedaan over tsjechov die zijn beginnen en eindes steeds  n i e t  schreef, of verborg, of verduisterde, waardoor je alleen maar een middenstuk overhield. over de afwezige toneelspeler wordt - kort na een stilte die erg lang duurt en waarin iedereen omhoog kijkt - een fragment dialoog gehoord, waarvan alleen de toneelspelers de betekenis kennen (realiseer ik me opeens) en de toeschouwers niet (op mij na dan, een ingewijde, rare rol eigenlijk, ik wil helemaal niet ingewijd zijn, niet zeuren, zo werkt dat). een voorbeeld van zo'n flard dialoog over de afwezige: 'zou-ie al op de gang zijn?' 'hij komt niet meer'. 'weet je niet'. 'misschien brengt-ie die ouwe wel mee.'

voor deze toneelspelers is een zaal nooit zomaar een plek maar een ruimte met iets van een geheugen, of inwoners die steeds getuigen van de geschiedenis van die zaal. zo begint een toneelspeler erover dat er vanaf deze zaal - 'zitten we wel in de goede zaal?' - een gang ging naar het café dat niet daar (wijst voor de toeschouwer naar rechts, waar het café nu is) maar daar (wijst naar de straatkant) was. als de toneelspeler ook over de geblindeerde ramen begint, wordt hem door vincent ruw de mond gesnoerd, wat in een licht geposeerde worsteling ontaard, nee een worsteling die in een pose stopt, iets wat later op de avond een paar keer meer zal gebeuren. er loopt voor het eerst vrij luide muziek onder de handeling, een handeling die talloze als changement aan te duiden deel-handelingen bevat (maar ja, changeren waarvandaan en waarnaartoe?). twist over of de muziek een panfluit is (nee, het is een dwarsfluit die heel luid en van heel dichtbij is opgenomen). uit de nok van het theater worden twee stoelen naar vooraan de speelvloer omlaag gehesen. ik begin tekeningen te maken en probeer me voor te stellen welk soort van schrift je nodig zou hebben om deze voorstelling te 'noteren', een soort quadrafonisch superschriftuur. het klimaat op de speelvloer heeft ondertussen iets uitgelatens, en binnen die uitgelatenheid ontwikkelt zich een van de elementen die ik ondertussen als 'nummers' heb getypeerd, clownsacts, goochelnummers, in dit concrete 'geval' een goochelnummer met cijfers en wiskundige constructies, waarbij getalswaarden van woorden (woord spellen - bij elke letter de cijferwaarde in het alfabet tellen - daar een som van maken) tot rekenarijen leidt die zou kunnen helpen bij de zoektocht naar william shakespeare en jaartallen die bij hem zouden horen. een van de uitkomsten: 1609, zestienhonderdnegen, het jaartal waarin de sonnetten verschenen, in een uitgave waar noch de vermoedelijke auteur, noch de jongen waaraan een ruime helft van de sonnetten is opgedragen, blij mee waren. de sonnetten dus, heb je ze paraat, vraagt de een. na een pesterige pauze komt maureen met 'shall I compare thee to a summer's day', joris riposteert: 'de spiegel overtuigt me er niet van dat ik oud geworden ben' (sonnet-regel? geen tijd, we gaan voort).

de twee 'hangstoelen' staan nog steeds op het voortoneel en vincent en joris spelen daarop, achter elkaar gezeten, een scène uit shakespeare, as you like it, verwant aan the tempest, dezer dagen allebei hemelsbreed een kilometer verderop gespeeld in het engels in de schouwburg, maar dat is vast een grap waaraan niemand hier denkt, behalve ik. die scène heb ik hier, in deze contekst, vaker gezien, in twee stadia van groei in ieder geval, en nu iets volgroeider, hetgeen niet betekent vollediger, hoogstens de woorden en de zinnen meer proevend. in mijn rug klinken er grommende tevredenheidsgeluiden van een collega toneelspeler, die vragen gaat stellen ('ben je ons aan het regisseren?'). het is een scène tussen rosalind en celia, zich realiserend de gevaren van het bos van arden en de mallotigheid van hun mannelijke tegenvoeters, in ieder geval een moment waarop shakespeare (of wie de tekst ook schreef) rusten kan in de armen van deze toneelspelers, of in hun wiegende schoot, het is zo'n moment van rust, waarin er even tijd is te denken: wat is dit toch godsallejezus mooi, of modern, of daarom zijn we waarschijnlijk met zijn allen shakespeare, zonder dat de titel door wat op de scène gebeurt opeens een programma wordt, of programmatisch, of een credo - niks van dat al.

altijd wel iemand die dat brok in je keel weg wurgt met een andere verrassing, dit keer jorn, die de hele avond iets wil vertellen over tolstoj en nu opeens met een verfrommelde tolstoj-baard van papier tegen de linker muur gedrukt staat, waarom even wordt gelachen, maar dat is ook weer niet de bedoeling, weg baard. ondertussen is er een groen doek met een assortiment kleine spijkertjes en grote hamers op de plankieren vloer getimmerd. daar wordt enorm werk van gemaakt, inclusief het rechttrekken van het bespijkerde doek. de vorige keer bleef het liggen, nu wordt het - nadat de klus net is geklaard - wreed weer weggetrokken. o ja, niet vergeten. iedereen roept op gezette tijden vanuit alle hoeken en gaten van het speelvlak 'chess' - zo klinkt het - czes, zo schrijf je het, want het is de naam van czeslaw de wijs, die aan de knoppen zit - in de meervoudige betekenis van dat woord, en niet exclusief, want martijn zit ook aan de knoppen, wat heet - hij hangt er vaak eindeloos puzzelend boven, alsof hij een muzikaal complot aan het bedenken is. en o ja, niet vergeten. er zijn regelmatige struikelpartijen waarvan deze schrijver u ontraadt ze thuis uit te proberen. jorn is er een meester in, vincent kan er ook wat van. en o ja, ook niet vergeten: er is één scène die in het engels wordt gesproken, die over schieten gaat, waarin wilhelm tell voorkomt. jorn en vincent zijn de toneelspelers. en de teksten zijn zo net-niet-en-net-wel-pesterig-(on)verstaanbaar dat de toeschouwersfantasie reuze(bok)sprongen kan gaan maken over deze scène. waarom zit-ie erin? wat wordt er precies in beweerd? waar gaat-ie over? allemaal vragen die je dus gewoon thuis moet laten, anders raak je in een 'begrijp-psychose'. maar toch, maar toch? de scène wordt voor de verandering vanavond voor het overgrote deel in het pikkeduister gespeeld. een rumoerig duister overigens, want als 'chess' het licht weer aan doet staan er op het voortoneel minimaal vijf ruïnes van clubfauteuils, die heel snel weer worden weggechangeerd.

flarden tekst in het halfduister. 'de soep is niet warm'. 'nu begrijp ik het eindelijk'. 'kun je het uitleggen'. 'nee, dat zou pretentieus worden'. 'soms droom ik dat jullie er zijn'. iemand vertelt een droom die helaas onverstaanbaar is en die eindigt met de zin: 'we moeten het niet doen, het is te klein'. eerder heeft het ronddelen van wijn en water voor het publiek tot half ontloken ruzies en irritaties onder de toneelspelers geleid, over open en niet geopende flessen, over de afwezigheid van schone en de hinderlijke aanwezigheid van vieze glaasjes. ook het opbrengen van de twee lange tafels verloopt vanavond anders, het karretje met de soeppan en de borden is hetzelfde, het schoonmaken van de tafels geschiedt zo rigoreus dat er een lach op komt van de toneelspelers, iemand beweert dat de tafels eigenlijk delen van het toneel zijn, of twee tonelen, iemand probeert een balanceeract, uit de coulissenkieren in de wand links worden hoofddeksels het toneel op geworpen.

maureen start de, 'haar' slottekst, een flard proust, dat ik haar in eerdere discordia/dertien rijen-voorstelling (of was het toch de vere?) zag doen, toen vanuit een houten coulisse bediend door jan joris met thee en koekjes, de lindebloesemthee en de madeleinekaakjes. hier is de thee en zijn de koekjes afwezig, alleen herinnering in een verhaal, over een terugkeer naar een kasteel waar de verteller na een lange absentie is geïnviteerd, en waar eerst een toneelvoorstelling heeft plaatsgevonden, terwijl de verteller mijmert en verzinkt in de herinnering en zich iets voorneemt. 'zo begon ik aan mijn werkstuk. zonder iets van mijn vak te weten.' men vergeve mij als ik het citaat krakkemikkig heb geciteerd. maureen en de taal van proust vloeien in elkaar over, zelden zie je hoe een toneelspeler de taal van een auteur de hand reikt zonder in die taal te verzinken, te afstandelijk om het invoeling te noemen, te doorleefd om het met brechtiaans af te doen. hoé ze die voordracht vorm geeft is niet meer alleen aan haar. daarvoor zorgen margijn en joris. de ene keer in een diepe stoel, de andere keer op de uithoek van een van de twee lange tafels. zoals nu. steeds met een bij elkaar gefrunnikt hoofddeksel op, uiteindelijk ook deze keer met een grote warme jas om. verzorgd, liefderijk verzorgd. de dampende soep staat achter haar op ons te wachten. een voortijdig applaudisserende toeschouwer lijkt er vanavond voor te zorgen dat alles eerder ophoudt dan de vorige twee keer. maar dat wordt dan ook weer voorkomen. zodat de afsluitende glimlach van maureen in een loop naar achter, in een draai van haar lichaam naar ons, niet verloren zal gaan. die glimlach en die draai doen me ergens aan denken, of aan iemand in het bijzonder, maar dat doet er nu niet toe, dat is wat deze voorstelling doet: je gedachten als een op volle toeren draaiende machine laten werken.

het applaus kan alsnog kan worden genomen.
einde van een wonderlijk verslag van een wonderlijke avond.
geheel tegen mijn gewoonte in na afloop slechts oppervlakkig op
eventuele tikfouten nagelopen.
maar niet op voordracht, stijl, logica,
constructie van de alinea's, het al dan niet lopen van de zin.
het is wat het is.
as it is zoals de engelsen zeggen.
pure brandy.
puur toneel.

loek zonneveld   

de modernen
of
waarschijnlijk zijn we met z'n allen shakespeare
13 rijen
vrijdag 11 juni 2010   de voorlaatste
voor mij de derde keer kijken - loek zonneveld