Voorlopige inventarisatie van de feiten - Erik Bindervoet

De Modernen of Feitelijk, eigenlijk waarschijnlijk zijn we (≠ wij) met zijn (≠ z’n) allen Shakespeare (≠ Bacon) (7 VI, 2010, voorlopige inventarisatie van de feiten)(Toneel: toneel. Gelach. Positieve geluiden, vorige week, bij de première nog benoemd, overgaand in geroezemoes over voorwerpen en misdragingen. Of heb ik dat verkeerd verstaan? Heb je je pakkie al aan? Niet dat trage gedoe, hè? Hier achter ligt een groot struikelblok. Voor grensgevallen. O God. Dat je weet wie ik ben. Nee, precies. Dat is te donker. Wat is er nou zo modern? De inrichting in elk geval niet. Die is eerder rustiek te noemen. Veel eerlijk onbeschilderd hout.

Uit elkaar vallende of gevallen stoelen en grote laden uit een ladekast in de coulissen. En twee loodzware tafels, de ene wat langer dan de andere, bedekt met topzware granieten platen die de tafels bijna door hun poten doen zakken. Tegen de zwarte achterwand twee ladders, de ene wat langer dan de andere. Ze zullen niet worden gebruikt. Er wordt sowieso weinig naar boven gekeken. Men kijkt naar de grond. Of niet. En valt. Of ligt. Want uitvinden is makkelijk, vinden is moeilijk. Als je iets zoekt, ligt het meestal voor je neus, op de grond. Vandaar al dat vallen. Een drempel is zo gevonden. In minder dan geen tijd lig je op je snufferd. Licht op de plankieren. Het ruim van een schip. Een warenhuis. Een supermarkt voor supermensen. Een ondergelopen kelder van acht verdiepingen. Een inrichting. Een verkeerde zaal. Een boek. Een hoofd. Een hart. Een hoed. Een rode beulskap. Een zotskap. Een steek van papier. Er wordt gelopen op de werkvloer, in alle windrichtingen. De klank van goedgeschoeide voeten en goedgepoetste schoenen op eerlijk hout. Ontspannen conversatie. Goedgemutst. Anders kan je hem net zo goed geven. Wat smerig! M. zingt. O, don’t ask why. (Er zijn vijf M.’s.) V. loopt op zijn handen om de spieren los te maken en het werkwoord opnieuw uit te vinden. Doe maar open. C. is er nog niet. C.! Wij doen ons best. Maar zonder succes. Beroemde laatste woorden. M. zegt nu een hele tijd niets meer. Hij kijkt toe. Horen, zien en spelen. Spelen? Niet zijn? Zijn we al ik ben er! begonnen? Wacht even hoor, ik wil niet veel zeggen, maar we hebben een vrouwenbank. De acteurs komen binnen en nemen plaats op de speciaal voor hen neergezette tribune. Een van hen zet zijn stoel schuin voor het tafeltje waaraan de toneelschrijver zit te schrijven Zit ik niet te veel in je zichtlijntje? Maar jij kunt nog iets opschuiven. Je hoeft het niet te doen, hoor. Je moet het zelf weten. De acteurs fluisteren, terwijl een deel van de mensen op de werkvloer met hun rug naar hen toe zit en zo het zicht op het andere deel van de groep blokkeert. Ze zitten op lange banken waaroverheen kleren zijn gedrapeerd. Ze praten. Alles wat de toneelschrijver opschrijft bereikt hen in minder dan geen tijd via een wormgat in de houten vloer dat fungeert als extratemporeel en intramoleculair souffleurshokje. We weten niet of ze zich er wat van aantrekken, maar er ontstaat beweging. Er wordt gereageerd. Op iets. Het lijkt alsof er commando’s worden gegeven. Alsof er afspraken zijn gemaakt. En toch ook weer niet. Misschien worden ze ter plekke gemaakt. Spelregels zonder spel. Ook dat lijkt verboden. Pionnen in handen van het toeval dan? Dat nou ook weer niet. Er moet een nieuwe manier van praten gevonden worden. Terloops of pompeus declameren hebben we wel gehad, zo langzamerhand. Maar wat dan? Wat rest ons dan? M. draait zich om. J. (er zijn twee J.’s) steekt het podium schuin over en blijft staan. A. (er zijn twee A.’s) maakt haar schoenveters vast. In die volgorde. Omdraaien, oversteken, veters vastmaken. Dat is geen toeval. J. loopt weer terug, pikt en passant een kosmisch stofje op van de grond en stopt het weer terug in zijn geestesoog. Goed dat het geen spijker is. Of een ekster. Al zijn voetstappen zijn geteld. Er worden, ergens, glaasjes gepakt. M. komt plotseling uit het hout gegroeid, midden op de vloer, in het volle licht, en giet water in een bakje. Dan gaat ze op de grond liggen en blaast erin. Belletjes die een overstroming veroorzaken. C. steekt diagonaal over. Er is een teiltje bijgekomen, net buiten het zichtlijntje van de toneelschrijver. J. gaat linksvoor op een stoel zitten. J. doet M. een jasje aan. A. zingt. Het beste is om er niet al te veel naar te kijken. Ernaast kijken dan misschien? V. veegt stof van de leuning van de bank. J. trekt V.’s jasje uit. J. loopt naar rechts, M. naar links. J. trekt V.’s jasje aan, C. doet schoenen aan. M. sjouwt een stapel dekens en doeken naar voren en laat ze vallen. Er wordt een elastiekje tevoorschijn gehaald. Gebrom, meer een soort zwaar ademen. Wat was dat voor geluid? M. zet een ander mutsje op. M. draagt inmiddels een geel hemdje. Meer kleur in de kleren. Stilte. Leunen tegen de hoge houten wand. Want? Zijn we wel in de goeie zaal? Is er wel een goeie zaal? Het is beter om er niet naar te kijken. Zo ik ben er! begint het toch? M. doet J. te krap jasje aan. De relatie tussen Victor en Ellen was het stadium van de irritatie ruimschoots gepasseerd. Victor en Ellen af. Hun plaats wordt ingenomen door een mysterieuze doos, met daarin touwladders die we niet te zien krijgen. Nee! Iedereen loopt nu terug naar achteren en begint een ontspannen werkoverleg. Alleen J. blijft voor achter en gaat op een tafeltje naast de toneelschrijver zitten peinzen. Uit een spleet in de wand wordt een arm geboren, zoals er de hele avond voortdurend ledematen, bewegingen of hele personages uit zullen worden geboren. Wat ben je veranderd. Nee hoor. Onmacht. M. schrijft met een krijtje, zonder te kijken, iets op de linkerwand. V. zit gehurkt, met zijn rug naar ons toe. A. is in de weer met een touwtje en een mes. Hoe schrijf je coq? Met see-oo-see-kaa. J. eet een appel, met smaak en hoorbaar gezond. Waarom wordt er zo afkeurend gedaan als ik een flauwe grap maak? A. slaapt zittend tegen de wand. Is het een drijfveer of niet? Er wordt wel gezegd dat het nodig is voor het contrast. Ze zeggen ook wel dat het angst is. Het is maar in hoeverre je nog een aap bent. Als apen bang zijn laten ze hun tanden zien. Weet ik veel. Ik weet het niet hoor. Bij de tandarts klopt het wel. M. zit op de dekens. M. + V. staren met de armen over elkaar naar de grond. Er staat een stoel op het podium. M. verschijnt uit de opening in de rechterwand. Want? Had je je iets voorgenomen? Nee. Ik heb wel iets gelezen vandaag. Nee, dat is niet helemaal waar. Ik barst van de voornemens. Ik kom er alleen niet aan toe. Ik wou iets flauws zeggen. Het mag toch wel flauw zijn? Waarom loopt u altijd zo in het zwart? Omdat ik in de rouw ben over mijn leven, dat is toch zo. Misschien kan het wel niet zonder. Jij denkt hardop na! Zal ik voor de ontspanning wat koffie zetten? Is dat een contrast of is dat een onderwerp? Iedereen terug naar achteren, terug naar af, behalve A. die naar voren loopt als een opkomende zon die lopen kan, terug naar op. Jassen op de vloer. Een verhoginkje. M. eet nu een appel, een biologische Jazz-appel, zo te zien. Een wit krukje wordt ten tonele gebracht. Met balatum erop (een op linoleum lijkend viltzeil, gemaakt van in bitumen en guttapercha gedrenkt lompenvilt). A., het is niet te volgen hiero! Het gesprek komt op de eilandaffaire. Over Shakespeare en zo. Dat het woord Gloucester al gevallen is Wie is toch die Shakespeare waar ze het de hele tijd over hebben? En wie zijn dan die ‘we’ die hem zijn met ‘z’n allen’? Wiens allen? Zijn wij allemaal Shakespeare? Of is hij ons allemaal tegelijk, de duizenddenker, de miljoenenman? Wat is dit voor teiltje toch? Het krukje gaat in het teiltje en wordt gevankelijk afgevoerd door V. De voorwerpen rukken op. Ze krijgen een stem. Wat is dit dan? Dat is van mij. Dat zijn mijn bakkebaarden. Dat doek komt te laat nu. M. zit nog steeds achterin, roerloos. Geblaf. De deur gaat open en wordt omgedraaid. De naam Buster Keaton valt. Is hij ook Shakespeare met z’n allen? De Buster Keaton-act. Iedereen weet dat toch. (Met stemverheffing, hoog:) Welnee! (Brommend, gedempt:) je onderschat ons publiek. Die weten dat al lang. Weet je wel zeker dat die grap van Buster Keaton is? Van wie zou hij hem hebben? Dat, dat is... God, ik kan niet op het woord komen. C. kijkt linksachter, om een hoekje toe. Eikenhouten vloeren, zegt iemand. Eikenhouten vloeren.J. helpt J. overeind en sleept hem schuin naar voren, waar hij hm laat liggen waar hij valt, net voor de stoel. M. gaat ook liggen. Jij spiegelt dat? Even. M. zat vijf minuten op de grond, met haar handen in het haar, maar Ik hou ermee op. Ik zit hier al vijf minuten zo, te wachten tot iemand vraagt: is er wat? Iedereen terug naar achteren, behalve M. en J. die lachend naar voren rennen. A. zit op een stoel tegen de wand te slapen. Ik weet niet of ik wel tegen die voortdurende stilte kan. Het is natuurlijk wel zo dat je het met z’n allen moet doen. Onverstaanbaar is het. Wil je daar nou eens mee ophouden? Dat is volkomen onlogisch. Wat zei ie? Hij weet het niet meer. Jezus, wat een lul. Verkeerde grap. Verkeerde zaal. Is er een goeie zaal? De zaal is perfect. Maar gaat het daarover dan? Tot hier. Maar dat verandert niks aan deze plek. Als we ophouden, hoeft daar geen reden voor te zijn. Zeg M., ik kan het niet verstaan. Er daalt een stoel neer, aan een touw. J. tilt A. op en legt haar rechtsachter neer. Er daalt nog een stoel neer. V. flikkert met teil en al op de grond, languit. Alsof het de normaalst zaak van de wereld is. Wacht even. Het gaat echt helemaal niet goed. Hij valt nogmaals. Dat was gewoon echt natuurlijk. Het gaat er op dit moment even niet om dat je het begrijpt, maar dat je het verstaat. Ik ben gewoon op dit moment om zo te zeggen een beetje gammel om zo te zeggen. Ik heb tot vier uur zitten lezen. Ken je één regel uit je hoofd? M. staat midden op de vloer, geamuseerd, als ware hij het geheugen zelf. Je hart is een huis met twee kamers. Maar vreugde mag niet te hard lachen, want dan wordt verdriet wakker. Mag verdriet dan wel zo veel herrie maken? Ja, want vreugde is de dood. Op de stoel, naast een ruitjesbroek en een ruitjesjas, een hoedje met daarin twee uit de kluiten gewassen winterwortels. A. boent de vloer. Met wanhoop. J. haalt krantenpapier uit het verhoginkje en begint diverse berichten voor te lezen. Stemmen vanuit de coulissen. Who is it? Rosencrantz en Guildenstern in de coulissen van The Tempest (De Storm)? Wat gebeurt er eigenlijk bij kryptomnesie? Zie, hoor: George Harrison. He’s so fine. Pipo? A. in de weer met een tube goudverf. Er zijn meerdere geheugens. We hebben ook een autobiografisch geheugen. Zoiets als de lagen eikenhout op het Gloucestereiland. M. loopt rond, zwijgt, kijkt, leunt op een stoel, hand in z’n zij. M. leest in een, het boek van zichzelf. Het is goed zo. Iedereen naar achteren, behalve A. Want? Ik ben met iets bezig. Loopt er nou iemand weg? Het is C.! Ze dachten dat jij iemand was die wegliep. A. heeft een hoedje op, V. draait stoel terug, J. zet latje neer. Dit is niet de juiste lichtstand eigenlijk. Au! Er komt een vinger tussen de deur. Was er ruzie? Zal ik nu koffie zetten? Ik kan niets zien zo. Niet zeuren, A.! Dit gaat ook niet. V. trekt broek uit. Is wel een goed idee, hè? Te beginnen met de vorige scène? J. trekt jurk aan, met hulp van J., maar het gaat zeer moeizaam. A. tikt met het kwastje tegen een glaasje, tot zichtbaar genoegen van M. J. gooit doek op de vloer. Dit gaat niet. Er loopt van alles door elkaar. Er wordt een mededeling aan de wand gespijkerd. Hamers. A. slaapt nu staand. Is 131 een priemgetal? En 31 ook? En 31 en 1? Is 32. A. maant tot stilte: St! Ssssst! Ssssssssssssssssttt! Zucht. V. en J. rollen het doek uit. Stof en gruis dwarrelt omhoog. J. weet net op tijd het verhoginkje te redden. M. op, met een bakje, waaruit hij iets lijkt te eten. Spijkers.  Kun je dat nog een keer doen? V. sleept een wagentje het toneel op, een rijtuigje voor de hamers. Lawaai. Ook V. doet nu spijkers in z’n mond en pakt een hamer. Stop maar. Iedereen naar achteren. Stil. Zwijgen. Ze beginnen het doek vast te spijkeren. M. doet een mooie bloemetjesjurk aan. J. struikelt en valt. M. gaat op het witte krukje staan, roerloos naar de grond starend. Niet helemaal wat je zegt happy. M. doet een stropdas aan. Het gaat te traag. Het gaat te traag. Zak. Rot toch op. Wat hebben jullie toch allemaal? Ik begrijp het niet. V. heeft een nieuwe jurk. Ik heb een nieuwe jurk. Ik ben blij dat iemand dat ziet. A. troost V. Het kan dus niet zonder. Wat? Zonder gedoe, ruzie, wanhoop, plezier. Plezier. Mooi woord. Wie is er voor om het kleed weer weg te halen? M. steekt zelf, als enige, zijn vinger op. Als één iemand iets weg wil halen, moeten we het dan weghalen? J. op zijn knieën, getroost door A. En hij dan? Het kleed is inmiddels half losgetrokken. J. komt op met een kolossale houten hamer. De man met de hamer. M. begint te lachen. Ik wil naar mama. De scène breekt op. Mama. A. probeert het doek te versjouwen, M. neemt haar last over. Op de wand staat wat we gisteren hebben gegeten en wat we vandaag hebben gegeten met z’n allen. Achter de rechterwand wordt een rood jurkje gepast. V. helpt J. uiteindelijk overeind. Er vallen spijkers op de grond. Ik hoor wel een rare piep. Kunnen jullie wel zien wat er op het toneel gebeurt of niet? Er is altijd geheugen dat niet spoort. M. begint een monoloog waarin sprake is van bepoederde gezichten, maar wordt onderbroken. Ze moet lachen. J. trekt zijn As you like it-jurk weer aan. V. zet stoelen weg. J., M. en M. maken rondedansjes. Spiegel je mij nou? Ja, maar sur place. M. en V. maken de touwen van de stoelen vast aan een ronde balk waaraan ze het doek vastmaken. M. wrijft in zijn ogen. J. haalt een emmer met glaasjes, rennend. Hoor ik nou muziek of niet? M.? Nee, nee. De eerste woorden van M. In de zaal hiernaast hoor ik... Het doek wordt gehesen. Licht weer aan. M. eenzaam op de achterbank. Haar hoofd steekt net boven de leuning van de voorste bank uit.  En de zaal hierboven? Er is geen zaal boven. De glaasjes worden ingeschonken, rode wijn. M. spreekt. Ik had nog helemaal niets opgezet, maar dat is omdat ik probeerde eh... probeerde iets te doen zonder dat het een bedoeling of betekenis had. A. heeft het rode jurkje aan. Zonder dat het een bepaald effect zou hebben. Ik heb het met een andere das geprobeerd. Maar alles is iets. Ik wil niet dat het iets is, maar dat het iets wordt. Ik was eh dus nog niet eens begonnen. Pauze De wijn wordt uitgedeeld. V. houdt iets in z’n handen. Twee dooie muizen, gevangen door de katten die vooralsnog een lichte voorkeur hadden voor kikkers en merels. Ik ken toneelspelers die helemaal niet graag in de broek van een andere toneelspeler stappen. Tsjechov haalt het begin en het einde eraf. Maar hoe moet je het midden dan plaatsen? Zonder introductie en conclusie? Alleen datgene wat er tussenin gebeurt? Niet de minste aanwijzing wat de moraal is? We hebben het toch niet over een worm? Dat is een stuk toch ook, een worm? Veel te theoretisch allemaal. Ik denk dat dit bijna een soort van uitleg is. Tsjechov was wel dokter, hoor! Heb je iets om op te dansen? Toch wel lastig hoor dat we steeds door elkaar heen praten. Wilde eten. Wilde eend? Je had het toch over een eend aan tafel. Jan komt thuis en gaat zitten aan een tafel en gaat dan weer weg. Zagen zagen wiedewiedewagen. Da’s leuk, want die vragen hebben we al gehad. Is er al iemand met een zaag opgekomen dan? Niemand heeft opgelet. Jawel. J. op in rokje. What are you doing? Where you going? Nu ben ik niet voorbereid. V. op met drie schoenen. Uit een hoedje vallen pruimen, krieltjes, mandarijnen, abrikozen. Die jurk staat je heel goed. J. valt met plankje pletterplat op z’n bek. Was deze entree goed? Het leek meer een conclusie. Aai am gowing toe de sjoetingkontest. Aai am de best sjoeter in de wurlt. Aai am a frent of Wiljem Tell. Its impossibul. He hes bien det for sentjoeries nou olreddie. M. trekt wit gewaad aan. M. zet koptelefoon op. Gelach. Duisternis. De zware halfvergane of vergane stoelen worden op de eikenhouten vloeren gezet. Ik ben deze scène totaal vergeten. Niemand ging zitten. Zoemtoon op de achtergrond. M. maakt dansende bewegingen, als om de spieren los te maken, net als A.  iets eerder en V. veel eerder Dit is te laat. Maakt niet uit. Dan laten we het zo. Niemand danst. Het nummer heet Koelkastverwarming. Misschien ook moeilijk om op te dansen. Is het Nederlands? Nee, eigen werk. De stoelen worden weer weggehaald. M. leest de lijst voor. De Kotzebue-scène. Gedaan. Of niet? Twaalf avonden schrijven. Iedereen maakt zich klaar voor dezelfde scène. De lijst met klachten. Groeit. Het luciferdoosje van Picasso. Een autobiografische herinnering van J. Wat gepruts aan een luciferdoosje, maar je blijft zien dat het een Picasso is. Dat is het wonderlijke. De kamer van Shakespeare. Ga toch weg, niemand weet wie hij was! Bar. Lege kleedkamer. Station. Maquette. Proust achter de kast. Een bordje ophangen met de tekst: Opgepast. Zeer breekbare toneelspeler. Eenvoudige afspraken. De Olympia van Courbetmanetmonet. De hete kaarsenact. Gedaan? Niet? De mise-en-scène herinneren. Vijfendertig decors. Zevenentwintig. Dagboek van M. Stemhokjesgordijntjes produceren. Collectieve verdraaiingen. Het is echt een eindeloze lijst, met wat we allemaal al hebben gedaan. Het wormgat. Iets spectaculairs. Dat zou jij doen, V. Heb je dat nog gedaan? Het is gewoon een tragedie. Clowns. Het antiquarische mimeprobleem. Zo, Pipo. Ik heb al vijf prijzen gehad, hoor! A. zet een klassiek muziekje op, opera achtig. Kijk, hier een wormgat! Het was al die tijd al gewoon hier! Hé, niet weggaan! Ik wil niet alleen gelaten worden. Ze wil niet alleen gelaten worden. Ze wil niet alleen gelaten worden. C. steunt tegen de muur. De muziek sterft weg. M. staat center stage met het script in haar hand. Parijs, 1916. De gedachte verstoken te zijn van literaire gaven... Sorry, ik hoor nog muziek. Nee, ik hoor een uil. Dat kan niet. Da’s onmogelijk. In de steeg? Pak het gewoon maar op. Ik neem gewoon één zin terug. Raak je dan niet verward? Een glaasje water misschien? Een stoel om je aan vast te houden? Het is waarachtig de moeite waard niet om mij het leventje van een man van de wereld te ontzeggen. Ik nam een rijtuig naar de Prince de Guermantes, naar het hôtel dat de woonstee was van de Prince. Met de geestdrift die niet het enige maar wel het eerste kenmerk is van talent, nu ik bewezen had dat ik nergens meer voor deugde. J. valt met hamers en al, wederom pletterplat op z’n bek. Ik struikelde over de nogal slecht afgewerkte keien naast het koetshuis. De lange, loodzware tafels worden op de vloer gezet. Wankelen zoals ik zoëven had gedaan, één voet op de hogere kei, één voet op de lagere kei, in een verblindend onscherp visioen. Het raadsel van het geluk. Het was Venetië. V. veegt de tafel schoon. Er wordt soep opgediend. Men hult zich in lange jassen en hoofddeksels. M. heeft een baret op. Twee ongelijke plavuizen in de doopkapel van de San Marco in Venetië. Maar waarom dat beeld van geluk? Dat geluk dat volstond om mij zonder enig bewijs onverschillig te maken voor de dood. De oorzaak van dat geluksgevoel: het verleden dat het heden binnendrong. En wat er extratemporeel aan was, gemeenschappelijk, buiten de tijd. Mijn bekommernissen om de dood hielden op op het moment dat ik mij de smaak vande Madeleine gewaar werd in dat extratemporele wezen. Wat ik gevoeld had te denken, die gedachten uit de schaduwen halen, ze omzetten in een spiritueel equivalent, wat was dat anders dan het maken van een kunstwerk? Een boek. M. krijgt een jas aangetrokken door A. Het zou een dik boek worden, zoiets als de 1001-nachten, maar dan geheel anders. Iedereen loopt nu naar voren. Hoe was die laatste zin nou? Het is echt een prachtige zin. Ze lopen naar achteren. M. kijkt om en lach, de rest blijft met de rug naar ons toe staan. Sorry hoor, als we teveel ruzie hebben gemaakt. Ruzie? Gehoest. Nee, ik heb me daaraan onttrokken. Het was toch een zoeken? Het is een zoek. Draaien we ons om? Ja, kan. En dan rennen we naar voren. Nee! Buigen? En dan naar voren. M. maakt, geheel tegen zijn gewoonte in, zijn excuses. Voor de beschikbare hoeveelheid venkelsoep. Die koud staat te worden. Een vegetarische soep, gemaakt van kippebouillonblokjes van de Albert Heijn. Hij maakt wederom zijn excuses. En nogmaals.)
Een stem (M.): Geheugensoep! Toneelspelerssoep! Eigen risico! Eet smakelijk!